Lonen, werkloosheid en inflatie

zo 13 maart, 2016

lonen-werkloosheid-en-inflatie

Ons economisch stelsel – de markteconomie of het kapitalisme – is een systeem, waarin de consumenten het laatste woord hebben. De klant is koning; hij heeft, zoals een populaire gezegde luidt, altijd gelijk. Ondernemers zijn genoodzaakt datgene te leveren waar de consumenten om vragen en zij moeten hun goederen verkopen voor prijzen, die de consumenten zich kunnen veroorloven en die zij ook bereid zijn te betalen.

Een zakelijke onderneming is een duidelijke mislukking wanneer de opbrengst van de verkoop onvoldoende is om de kosten te dekken die de ondernemer gemaakt heeft voor de produktie van zijn artikel. Op die manier bepalen ook de consumenten, wanneer zij tegen een bepaalde prijs kopen, de hoogte van de lonen, (die betaald worden aan al degenen, die werkzaam zijn in die industrie).

De lonen worden tenslotte betaald door de consumenten

Hieruit volgt dat een werkgever niet meer aan een werknemer kan betalen dan de tegenprestatie van de waarde die het werk van die werknemer, naar het oordeel van het kopend publiek, aan de koopwaar toevoegt. (Dit is ook de reden waarom een filmster veel meer verdient dan een huisvrouw). Wanneer die werkgever méér zou betalen zou hij van zijn afnemers niet de kosten terug ontvangen, hij zou verliezen lijden en tenslotte failliet gaan. Bij het betalen van de lonen handelt de werkgever als het ware als lasthebber van de consumenten. Immers, de gevolgen van het betalen van de lonen drukken op die consumenten. Daar nu de overgrote meerderheid van de geproduceerde goederen wordt gekocht en verbruikt door mensen die zelf lonen en salarissen ontvangen, is het duidelijk dat de werknemers bij het uitgeven van hun inkomen in hoofdzaak zelf de hoogte bepalen van de lonen die zij willen betalen en eveneens uitmaken aan wie die lonen betaald moeten worden.

Waardoor stijgen de lonen?

De kopers betalen niet voor de inspanning en moeite die de werknemer besteedde, evenmin voor de tijd die hij besteedde. Zij betalen voor de produkten. Hoe beter de gereedschappen zijn die de werknemer bij zijn werk gebruikt des te meer kan hij in een uur tot stand brengen en des te hoger is dientengevolge zijn beloning.

Blijkbaar is de oorzaak van het stijgen van de lonen en de betere levensomstandigheden van de werknemers de technische uitrusting. De Amerikaanse lonen zijn hoger dan de lonen in andere landen omdat het kapitaal dat per werknemer geïnvesteerd is groter is. Daardoor zijn de ondernemingen in de gelegenheid, de meest doelmatige gereedschappen en machines te gebruiken. Wat de Amerikaanse levensstijl genoemd wordt is het resultaat van het feit dat de Verenigde Staten minder obstakels in de weg leggen aan sparen en kapitaalvorming dan andere volkeren. De economische achterstand van zulke landen, neem bijvoorbeeld India, bestaat juist in het feit dat hun politiek een belemmering vormt, zowel voor de vorming van binnenlands kapitaal als voor de investering van buitenlands kapitaal. Daar het benodigde kapitaal ontbreekt zijn de ondernemingen in India niet bij machte zich in in voldoende mate een moderne uitrusting aan te schaffen. Daardoor produceren zij veel minder per man-uur en kunnen zij slechts lonen betalen volgens een levensstandaard, die naar Amerikaanse maatstaf ontstellend laag is.

Daar is slechts één weg die leidt naar een verbetering van de levensstandaard voor de werkende massa, namelijk de stijging van de hoeveelheid geïnvesteerd kapitaal. Alle andere methoden, hoe populair zij mogen zijn, zijn niet slechts vergeefs, doch zijn in werkelijkheid nadelig voor het welzijn van hen die zogenaamd welgedaan moesten worden.

De fundamentele kwestie is: is het mogelijk de levensstandaard te laten stijgen voor al degenen, die vurig verlangen werk te vinden, dat boven het peil ligt, dat zij zouden hebben op een onbelemmerde arbeidsmarkt.

Wat zijn de oorzaken van werkloosheid?

De publieke opinie gelooft dat de verbetering van de positie van werknemers een prestatie is van de vakbonden en van specifieke wetgevende maatregelen. Zij schrijft op rekening van de vakbonden en van de wetgeving: de stijging van de loonstandaard, de verkorting van de arbeidstijd, het verdwijnen van de kinderarbeid en tal van andere verbeteringen. Het feit dat deze overtuiging algemeen verbreid is maakt de vakbeweging populair en is de oorzaak van de steeds toenemende wetgeving op het terrein van de arbeid gedurende de laatste tientallen jaren. Wanneer men algemeen denkt dat de hoge levensstandaard aan de vakbeweging te danken is, is men geneigd geweld, dwang en intimidatie jegens de niet-georganiseerde werknemers te vergeven en onverschillig te staan tegenover beroving van persoonlijke vrijheid, die inherent is aan monopolistisch optreden. Zolang deze waanvoorstellingen de gedachten van de kiezers beheersen, kan men geen verandering verwachten van de politiek, die zozeer ten onrechte progressief wordt genoemd.

Toch geeft deze populaire leer een volkomen verkeerd beeld van de economische werkelijkheid. De hoogte van de loonstandaard, waarop allen die graag zouden willen werken aan de gang kunnen gaan, hangt af van de produktiviteitsgrens van de arbeid. Hoe meer kapitaal geïnvesteerd wordt, des te hoger stijgt het loon op de vrije arbeidsmarkt, dat wil zeggen op de arbeidsmarkt, waar niet gemanipuleerd wordt door de regering en vakbonden.

Op deze door de markt vastgestelde loonstandaard kunnen allen die- graag willen werken aan de gang waar zij maar willen.

Op de vrije arbeidsmarkt heerst een tendens naar volledige werkgelegenheid. In feite is de politiek om de arbeidsmarkt vrij te laten de enige verstandige en succesvolle politiek van volledige werkgelegenheid. Wanneer de loonstandaard door de druk en het drijven van de vakbonden, hetzij door besluiten van de regering, stijgt boven de hoogte van de vrije arbeidsmarkt, betekent dat dat een deel van de beschikbare arbeidskrachten gedwongen wordt onbenut te blijven.

Kredietexpansie kan kapitaalvorming niet vervangen

Deze opvattingen worden hartstochtelijk verworpen door de vakbondsbestuurders en hun meelopers onder de politici; ook door de zogenaamde intellectuelen. Het geneesmiddel dat zij ter bestrijding van de werkloosheid aanbevelen is kredietexpansie en inflatie, met een mooi woord “goedkoop-geld politiek” genoemd.

Zoals boven is uiteengezet maakt een toevoeging van tevoren verzameld kapitaal aan de bestaande hoeveelheid een verdere verbetering van de technische uitrusting van de industrieën mogelijk. Hierdoor stijgt de produktiviteitsgrens van de arbeid en dus ook de loonstandaard. Maar kredietexpansie, of zij nu bewerkstelligd wordt door de uitgifte van bankbiljetten te vergroten, dan wel door het verlenen van meer krediet op bankrekeningen, die aan controle onderworpen zijn, voegt niets toe aan het bezit aan kapitaalgoederen van het volk. Het wekt slechts de illusie dat de fondsen, beschikbaar voor de uitbreiding van de produktie, steeds groter worden. Daar men goedkoop krediet kan krijgen gelooft men – algemeen, doch ten onrechte – dat de rijkdom van het land daardoor is toegenomen en dat bepaalde projekten die vroeger niet uitgevoerd konden worden nu wel uitvoerbaar zijn. De uitvoering van deze projekten vergroot de vraag naar arbeidskrachten en grondstoffen en maakt dat de lonen stijgen en de prijzen van de goederen eveneens stijgen. Er is een kunstmatige opleving ontstaan.

Onder de door deze opleving in het leven geroepen omstandigheden zijn de nominale lonen, die vóór de kredietexpansie met het oog op de marktverhoudingen te hoog waren en daardoor werkloosheid van een deel van de beschikbare arbeidskrachten veroorzaakten, nu niet meer te hoog en de werklozen kunnen weer werk vinden. Dit geschiedt evenwel alleen doordat, onder de veranderende monetaire en kredietomstandigheden, de prijzen stijgen, of, om hetzelfde met andere woorden te zeggen, de koopkracht van het geld daalt. Immers, hetzelfde bedrag aan nominale lonen (dat wil zeggen, de loonstandaard in geld uitgedrukt), betekent minder in reële lonen, (dat wil zeggen, uitgedrukt in goederen), die men voor het geld kan kopen. Inflatie kan werkloosheid alleen genezen door het werkelijke loon van de werknemer te verminderen. Maar dan gaan de vakbonden aandringen op een nieuwe loonronde teneinde de lonen gelijke tred te doen houden met de stijging van de kosten van het levensonderhoud. En zo zijn wij dan weer beland waar wij vroeger waren, namelijk in een toestand, waarin grote werkloosheid alleen kan worden voorkomen door verdere kredietexpansie.

Dit is wat de laatste jaren niet alleen in dit land maar ook in vele andere landen is gebeurd. De vakbonden, daarbij gesteund door de regering, dwingen de ondernemingen toe te stemmen in een loonstandaard die boven de lonen ligt die op de arbeidsmarkt mogelijk zijn, dat wil zeggen: de lonen die het publiek bereid is te betalen aan de werknemers door hun produkten te kopen. Dit zou onvermijdelijk geleid hebben tot stijging van het aantal werkloze personen. Maar het regeringsbeleid tracht het opkomen van een ernstige werkloosheid te voorkomen door kredietexpansie, dat wil zeggen: inflatie.

Het resultaat is stijging van de prijzen, een hernieuwde vraag naar hogere lonen en herhaalde kredietexpansie. Kortom: langdurige inflatie.

Inflatie kan niet eindeloos doorgaan

Maar ten slotte begonnen de autoriteiten bang te worden. Zij weten, dat inflatie niet eindeloos kan voortgaan. Wanneer men niet tijdig de verderfelijke politiek van vergroting van de geldhoeveelheid en van de kredietmiddelen beëindigt, stort het geldstelsel van de natie volkomen ineen. De koopkracht van het betaalmiddel daalt tot een punt, dat feitelijk niet meer dan nul is. Dit gebeurde telkens weer, in Amerika in 1781, in Frankrijk in 1796 en in Duitsland in 1923. Het is voor een volk nooit te vroeg om zich te realiseren, dat inflatie nooit als een uitweg,mag worden beschouwd en dat men verplicht is terug te keren tot een gezonde monetaire politiek. Deze feiten erkennend, hebben vele monetaire autoriteiten tot voor kort hun politiek van voortgaande kredietexpansie niet verder voortgezet.

Wanneer men algemeen denkt dat de hoge levensstandaard aan de vakbeweging te danken is, is men geneigd geweld, dwang en intimidatie jegens de niet-georganiseerde werknemers te vergeven en onverschillig te staan tegenover beroving van persoonlijke vrijheid, die inherent is aan monopolistisch optreden.

Het is niet mogelijk in deze korte beschouwing te handelen over alle gevolgen die beëindiging van inflatoire maatregelen met zich brengt. Wij willen slechts het feit vaststellen dat terugkeer tot monetaire stabiliteit geen crisis verwekt. Zij brengt slechts aan het licht de verkeerde investeringen en de andere fouten die gemaakt zijn onder de begoocheling van de schijnwelvaart, verwekt door goedkoop geld. Men wordt de fouten gewaar die men begaan heeft en, niet langer verblind door de illusie van het goedkope geld, begint men zijn activiteiten weer aan te passen aan de werkelijke staat van de stoffelijke productiefactoren. Het is deze – ongetwijfeld pijnlijke, maar onvermijdelijke nieuwe aanpassing, die de depressie uitmaakt.

Het koopkracht-argument

Een van de onplezierige kenmerken van dit proces van afrekenen met hersenschimmen en terugkeren tot een nuchtere beschouwing van de werkelijkheid betreft de hoogte van de loonstandaard. Terwijl de politiek van voortgaande inflatie bedreven werd had de bureaucratie van de vakbonden het zich tot een gewoonte gemaakt van tijd tot tijd op loonsverhogingen aan te dringen en het bedrijfsleven gaf na enig schijn-verzet steeds toe. Het gevolg hiervan was, dat de lonen op een zeker ogenblik boven de marktprijs uitgingen en tot een bedenkelijke graad van werkloosheid zouden hebben geleid. Maar de steeds verder voortschrijdende inflatie haalde die dan weer in. Dan drongen de vakbonden op een nieuwe loonronde aan en zo voort.

Het doet er weinig toe welke rechtvaardiging de vakbonden en hun trawanten ten gunste van hun eisen aanvoerden. Het onvermijdelijke gevolg van de pogingen, de werkgevers te dwingen voor het werk meer te betalen dan de consumenten in de prijs, die zij betalen, er blijkbaar voor over hebben, is altijd weer hetzelfde: stijging van het aantal werklozen.

Onder de tegenwoordige omstandigheden proberen de vakbonden de oude koopkrachtfabel, die al honderd jaar weerlegd is, weer van stal te halen. Zij verklaren, dat door de werknemers meer geld in handen te geven door de loonstandaard te laten stijgen, de uitkeringen aan de werklozen te verhogen en nieuwe openbare werken ter hand te nemen – de werknemers in staat zouden worden gesteld, meer uit te geven en daardoor de zaken te stimuleren en de economie uit de recessie naar de voorspoed te leiden. Dit is het valse argument ten gunste van inflatie: alle mensen gelukkig te maken door meer bankbiljetten te drukken.

Natuurlijk, wanneer er meer bankbiljetten in omloop komen zullen zij, in wier zakken de nieuwe denkbeeldige rijkdom terecht komt – of zij nu werknemers, boeren of andere mensen zijn – meer gaan uitgeven. Maar het is juist deze stijging van uitgaven, die onvermijdelijk leidt tot een algemene tendentie tot prijsstijging of, wat hetzelfde is, maar op een andere manier gezegd, een daling van de koopkracht van het betaalmiddel. Op deze wijze is de hulp, die inflatie biedt aan de werknemers, slechts van korte duur. Wanneer men die hulp wil bestendigen moet men telkens en telkens weer zijn toevlucht nemen tot nieuwe inflatoire maatregelen. Het is duidelijk dat dit tot een ramp moet leiden.

In feite is de politiek om de arbeidsmarkt vrij te laten de enige verstandige en succesvolle politiek van volledige werkgelegenheid.

Er wordt over deze dingen een hoop onzin gezegd. Er zijn mensen die beweren dat loonstijgingen “inflatoir werken”. Maar deze stijgingen zijn op zichzelf genomen niet inflatoir. Niets is inflatoir, behalve de inflatie, dat wil zeggen een toename van de geldhoeveelheid die in circulatie is èn die van het bankcrediet (checkbook money). En onder de tegenwoordige omstandigheden kan niemand, behalve de overheid, inflatie in het aanzijn roepen. Wat de vakbonden kunnen bewerken door de ondernemers te dwingen een hogere loonstandaard te accepteren dan de lonen die op de markt mogelijk zijn, is geen inflatie, ook niet de hogere prijzen voor de handelsartikelen, maar werkloosheid voor mensen die graag een baantje zouden willen hebben. Inflatie is een politiek, waartoe de regering haar toevlucht neemt om werkloosheid op grote schaal te voorkomen, waartoe de stijging van de lonen door de vakbonden anders zou leiden.

Het dilemma van een kortzichtige politiek

Het dilemma waarmee ons land – en vele andere landen in niet mindere mate – geconfronteerd wordt, is zeer ernstig. De zeer populaire methode om de loonstandaard te laten stijgen boven de hoogte, die zij op de vrije arbeidsmarkt zou bereiken, zou leiden tot een catastrofale massa-werkloosheid, indien de inflationaire kredietexpansie geen redding bood. Maar inflatie heeft niet alleen uit sociaal oogpunt een verderfelijke uitwerking. Zij kan niet eindeloos doorgaan, zonder uit te lopen op een volledige ineenstorting van het hele monetaire stelsel.

De openbare mening, geheel onder de invloed van de bedriegelijke leerstellingen van de vakbonden, sympathiseert in meerdere of mindere mate met de vraag van de vakbondsbestuurders om een aanzienlijke stijging van de lonen. Zoals de toestand thans is, hebben de vakbonden de macht de werkgevers hun eisen te dicteren. Zij kunnen stakingen uitroepen, zonder dat zij door de autoriteiten in bedwang worden gehouden en straffeloos geweld plegen tegen de werkwilligen. Zij gaan inzien, dat de verhoging van de loonstandaard leidt tot een stijging van het getal dergenen, die geen werkkring hebben. Het enige geneesmiddel dat zij aan de hand doen is ruimer fondsen voor werkloosheidsbestrijding en ruime credietverstrekking, dat wil zeggen: inflatie. De regering, deemoedig buigend voor de op een dwaalspoor geleide openbare mening en bezorgd over de afloop van de dreigende verkiezingscampagne, is ongelukkigerwijs al begonnen haar pogingen op te geven om tot een gezonde monetaire politiek te komen. Zo zijn wij ons weer gaan bezondigen aan de verderfelijke methoden, ons weer in te laten met het scheppen van geld. Wij gaan voort met de inflatie, die maakt dat de koopkracht van het geld steeds meer afneemt. Waar loopt dat op uit? Dat is de vraag die de politici zich bij voorkeur niet stellen.

Alleen verregaande onwetendheid kan de politiek, die gedreven wordt door de zogenaamde progressieven, een “politiek in het belang van de arbeiders” noemen. De werknemer is evenals iedere andere burger het meest geinteresseerd in de handhaving van de koopkracht van het geld. Wanneer, dank zij zijn vakbond, zijn weekloon stijgt boven het loon op de markt, zal hij spoedig ontdekken dat de opgaande beweging van de prijzen hem niet alleen berooft van de voordelen die hij verwachtte, maar bovendien maakt dat de waarde van zijn besparingen, van zijn verzekeringspolis en zijn pensioenrechten afnemen. En, nóg erger, dat hij wellicht zijn baan verliest en geen andere vindt.

Alle politieke partijen en pressiegroepen zeggen dat zij tegen inflatie zijn. Maar wat zij in werkelijkheid bedoelen is, dat zij niets moeten hebben van de onvermijdelijke gevolgen van de inflatie, namelijk de stijging van de kosten van levensonderhoud. Metterdaad begunstigen zij allen een politiek, die noodzakelijk leidt tot een stijging van de hoeveelheid circulatiemiddelen. Zij komen niet alleen op voor een goedkoop-geld politiek om het voortdurend opjagen van de lonen door de vakbonden mogelijk te maken, maar evenzeer voor meer staatsuitgaven en – tegelijkertijd – voor belastingverlaging door het aantal vrijstellingen op te voeren.

Misleid door de marxistische dwaalleer van de onverzoenlijke belangentegenstelling tussen de maatschappelijke groeperingen, beweert men, dat slechts de belangen van de bezittende klasse zich verzetten tegen de eis van de vakbonden om hogere lonen. In feite zijn de werknemers niet minder geïnteresseerd bij een terugkeer tot gezond geld dan enige andere groep of klasse. Er is de laatste jaren veel gesproken over de schade, die oneerlijke vakbondvertegenwoordigers in Amerika hebben toegebracht aan de leden van hun bonden. Maar de verwoesting, toegebracht aan de werknemers door de buitensporige looneisen van de vakbonden, is veel schadelijker.

Het zou overdrijving zijn te beweren, dat de taktiek van de vakbonden de enige bedreiging van waardevast geld en een verstandige economische politiek zou zijn. Georganiseerde werknemers zijn immers niet de enige pressiegroep, wiens eisen heden ten dage de waardevastheid van het geld en het monetaire evenwicht bedreigen. Maar zij zijn de machtigste en invloedrijkste van die groepen en de grootste verantwoordelijkheid rust op hen.

Niets is inflatoir, behalve de inflatie, dat wil zeggen een toename van de geldhoeveelheid die in circulatie is èn die van het bankcrediet (checkbook money).

Het kapitalisme heeft de levensstandaard van werknemers tot een ongekende hoogte opgevoerd. Het gemiddelde Amerikaanse gezin verheugt zich tegenwoordig in allerlei luxe, waarvan honderd jaar geleden zelfs de grootste kapitalisten niet droomden. Al deze welvaart is gebaseerd op de toename van besparingen en opgehoopt kapitaal. Zonder deze fondsen, die de ondernemers in staat stelden in de praktijk van de wetenschappelijke en technische vooruitgang gebruik te maken, zou de Amerikaanse werknemer niet meer en betere zaken per werk-uur produceren dan de Aziatische koelies. Hij zou niet meer verdienen en evenals zij armzalig leven op de rand van de hongerdood. Alle maatregelen die, zoals ons stelsel van inkomsten- en vennootschapsbelasting, beogen verdere opeenhoping van kapitaal te voorkomen of zelfs kapitaalverminderend werken, zijn dus in de kern van de zaak tegen de werknemers gericht en anti-sociaal.

Er zou nog een verdere beschouwing gegeven moeten worden over dit vraagstuk van sparen en kapitaalvorming. De welvaartsvooruitgang, die het kapitalisme tot stand heeft gebracht, maakt het voor de gewone man mogelijk te sparen en op deze manier op een bescheiden wijze zichzelf kapitalist te maken. Een ontzaglijk deel van het kapitaal, waarmee in het Amerikaanse zakenleven gewerkt wordt is de tegenhanger van de besparingen van de grote massa. Miljoenen werknemers bezitten spaarsaldi, obligaties en verzekeringspolissen. Al deze vorderingen zijn betaalbaar in dollars en hun waarde hangt af van de gezondheid van het geld van de natie. Het handhaven van de koopkracht van de dollar is dus van dit gezichtspunt uit bezien van vitaal belang voor de grote massa. Om dit doel te bereiken, is het niet genoeg op de bankbiljetten de mooie spreuk In God we trust af te drukken. Men moet een daarbij passende politiek voeren.

Ludwig von Mises

Dit artikel werd vertaald door Stichting MeerVrijheid. Overname wordt gewaardeerd indien voorzien van bronvermelding en hyperlink.

 

3 Responses to “Lonen, werkloosheid en inflatie”

  1. Plato schreef:

    Misschien iets te simpel. Om een inkomen te hebben, ben je verplicht daar voor te werken, maar dan moet je wel de kans krijgen. Wat gaan de arbeiders doen die door automatisering overbodig worden. Dit zijn vaak laag geschoolde mensen en voor hen blijven alleen maar laag betaalde banen in de dienstensector over. Waar binnen de bedrijven naar maximale efficiency gestreefd wordt, wordt het verdiende geld vervolgens in de horeca en aan vakanties uit gegeven. De mensen die daar werkzaam zijn, moeten eigenlijk dankbaar zijn dat ze de wel geschoolde arbeiders van dienst mogen zijn. Dit kan toch wel een aanzienlijke tweedeling in de maatschappij geven. De groep die letters gegeten heeft, loopt steeds verder weg van de ongeschoolden. De vraag is of dit geaccepteerd wordt.

    • sirik schreef:

      “Om een inkomen te hebben, ben je verplicht daar voor te werken, maar dan moet je wel de kans krijgen”
      Misschien werpt ‘wordt men genoodzaakt’ ipv ‘verplicht’ een ander licht op de zaak.
      Ook levert de stelling dat men er ‘een kans voor moet krijgen’ nogal wat problemen op. Wie moet die kans leveren en welke kans voldoet aan welke arbeider.
      In een vrije samenleving is regulatie nogal problematisch.

      “Wat gaan de arbeiders doen die door automatisering overbodig worden.”

      Mensen kunnen kiezen tussen vrije tijd of werken. Als er weinig brood op de plank is, zal men eerder genegen zijn uit werken te gaan. Dat betekent meer concurrentie voor andere (laaggeschoolde) arbeiders en wel zo hevig dat er uiteindelijk sprake kan zijn van de goedkoopste arbeid, namelijk kinderarbeid.
      Daarom is het van belang dat mensen, levend in een gemeenschap, hun natuurlijke grondrechten behouden en kunnen bepalen wie er toegelaten wordt tot een grondgebied. Zijn er teveel mensen in een zeker gebied, ontstaat er alsvanzelf migratie of werkloosheid en vica versa. Zijn er teveel producenten ( of anders gesteld: teweinig arbeiders) dan zullen de producenten gaan verhuizen.
      In het geval van een volledig geísoleerde economie, een eiland bijvoorbeeld, kan de vrije markt de vruchtbaarheid beïnvloeden.

  2. sirik schreef:

    “Hoe meer kapitaal geïnvesteerd wordt, des te hoger stijgt het loon op de vrije arbeidsmarkt……”
    En daar is wat aan op te merken.
    Verstrekt men kapitaal, land en arbeid zowel aan de ene producent als aan een andere, dan zal de kans dat beiden het zelfde rendement behalen zeer klein zijn en terwijl de kans dat er een verschil in opbrengsten is, groot zal zijn.
    Hoe kan dit zo zijn ?
    Wat maakt het dat de rendementen, de prestaties, van beide producenten ( Hier bedoel ik echt Robinson en/of meerdere companen) veschillend zijn of kunnen zijn ?
    Er ontbreekt kennelijk nog een component in de analyse.
    Naast arbeid, grond en kapitaal moet er nog zoiets zijn als ‘het idee’, verschil in talent of ‘een vonst’.
    Zonder ‘een idee’ of getalenteerde producent is concurrentie, onder gelijke omstandigheden, niet mogelijk.