De hernieuwde groei van de Oostenrijkse School in Nederland

di 21 januari, 2014
Auteur:

mises_portraitEen jaar is in een mensenleven genoeg om te kruipen. Het Mises instituut stond binnen een jaar op eigen benen. Dat het instituut nu één jaar oud is, wil niet per sé zeggen dat daarmee ook voor het eerst de Oostenrijkse School in Nederland vertoeft. Want in weerwil van de moderne geschiedschrijving is het economisch denkraam van de Oostenrijkse School van grote invloed geweest in Nederland, vanaf het allereerste moment in 1871.[1]

In Nederland is het Nicolaas Pierson die door studie tot theorievorming komt vanuit een positie die nu klassiek­liberaal genoemd zou worden. Zijn werk domineert de laatste decennia van de 19e eeuw en krijgt opvolging van een nieuwe generatie. Ondersteund door academici van invloed, zoals C.A. Verrijn Stuart en J. d’Aulnis de Bourouill worden werken geschreven die de economie en de plaats van de overheid daarin bekijken vanuit de Oostenrijkse School. Vanaf midden jaren ’20 neemt deze invloed langzaam af. De Tweede Wereldoorlog en de economische nasleep zorgen voor verdere afbreuk van die, dan al tanende, invloed. Daarin niet in de laatste plaats gesteund door academici van collectivistische inslag die hun kans schoon zien empirisch gelijk te halen onder vleugels het opkomende Keynesiaans economisch denken.

Met de gruwelen van centraal gestuurde overheden in het achterhoofd wordt gezorgd dat dit nooit meer kan gebeuren en wordt dan ook de weg ingeslagen naar, centraal gestuurde overheden. Dat voor die vervolmaking van het collectivisme gebruik wordt gemaakt van de gemankeerde theorieën waartegen liberalen op dat moment al zo’n 60 jaar met wisselend succes strijden wordt niet meer opgemerkt, of terzijde geschoven. In Nederland is na Pierson, Verrijn Stuart en aanverwanten een krachtdadig genoeg geluid afwezig om de liberale stem in de orkaan van collectivisme te laten horen. Toch wordt het belang van de Oostenrijkse School en haar Nederlandse vertegenwoordigers in ieder geval nog in 1947 erkend.[2] Wat daarna gebeurt ligt (nog) buiten het zicht van de schrijver dezes. Duidelijk is in ieder geval dat de invloed van (sociaal­)liberalen steeds verder afneemt. De Nederlandse samenleving wordt op meer collectivistische leest herbouwd. Heel Nederland?

Neen, een kleine groep mensen heeft in die tijd aan filosofische en economische faculteiten en daarbuiten een klein licht laten branden. Weliswaar, ook, op Amerikaanse libertaire leest geschoeid, maar what’s in a name? Tot vorig jaar waren er in Nederland slechts losse verbanden. Het nu één­jarige Mises instituut heeft in Nederland de handschoen opgepakt waar zij is blijven liggen. Er is in Nederland een rijke bodem voor liberaal economisch denken. Met de kennis en de inzichten van nu en de rijke traditie van toen kan het Mises instituut een brug vormen tussen heden en verleden. Daarmee de waarde aantonend van een economie gebaseerd op het denken van de Oostenrijkse School voor nieuwe generaties. Zo is het de wens dat het instituut de Oostenrijkse School in Nederland hernieuwd kan laten groeien, door middel van de bijeenkomsten en activiteiten die tot nu zo node gemist moesten worden. Met het uitspreken van die wens rest mij weinig anders dan mijn felicitaties aan te bieden en u als vertegenwoordigers en volgers van het instituut te feliciteren met het instituut.

W. Cornax

[1] In 1871 publiceerde Carl von Menger zijn werk “Grundsätze der Volkswirtschaftslehre”. Dit werk wordt algemeen gezien als de start van wat later de ‘Oostenrijkse School’ zou gaan worden.

[2] Dr. L.J. Zimmermann, Geschiedenis van het Economisch denken, p. 139­140, Den Haag, Uitgeverij Albani, 1957: “Het is opvallend, dat in weerwil van een hierboven genoemde (aan Alfred Amonn ontleende) critiek de Oostenrijkse School vooral in Nederland zo’n taai leven heeft gehad. Vermoedelijk kan dit worden verklaard worden uit het feit, dat in de tijd, waarin de Oostenrijkse School tot bloei kwam, Nederland in N.G. Pierson en C.A. Verrijn Stuart twee economen van internationaal formaat bezat, wier werken – o.a. Het Leerboek der Staathuishoudkunde van Pierson en De grondslagen der Volkshuishouding van Verrijn Stuart – in verschillende talen werden vertaald, doch die uiteraard de meeste invloed uitoefenden op hun Nederlandse leerlingen. Kwam Pierson, de leermeester van Verrijn Stuart, nog enigszins uit het klassieke kamp, de laatste was een volbloed aanhanger van de Oostenrijkse waardeleer. Daar in ons land gedurende lange tijd geen figuur van zijn formaat een andere theorie naar voren bracht, werden verschillende generaties onzer economen met de Oostenrijkse waardeleer als de “moderne” waardeleer opgevoed. In de laatste 10 à 15 jaar voor de laatste oorlog is hierin echter wijziging gekomen en wij menen, dat de prijstheorie der Oostenrijkse School in ons land niet veel aanhangers meer zal tellen.”
Dit duidt erop dat de grond vruchtbaar was. Overigens doet de opmerking ‘taai leven’ in de context meer denken aan het verdelgen van onkruid dan aan het academisch bespreken van een economisch gezichtspunt.