Is de Euro uiteindelijk wel houdbaar?

Het korte antwoord is dat de Euro uiteindelijk onhoudbaar zal zijn en als eenheidsmunt zal worden verlaten. Maar omdat het een politiek prestigeobject is, feitelijk een symbool van een federaal Europa, zal dat niet zonder slag of stoot gaan. Tot die tijd zorgt de Euro vooral voor welvaartsoverdracht van “Noord” naar “Zuid” en houdt daarnaast “Zuid” in een economische wurggreep., die alleen maar tot verarming zal leiden. En het zal uiteindelijk ook voor veel politiek schade zorgen. En dat is jammer, want Europa als een vrijhandelszone van natiestaten is een ijzersterk concept. Maar waarom dat zo is, het lange antwoord, is hier onder te vinden.

Uitspraak van het Duitse Constitutionele Hof

Terwijl het nieuws nog volledig gedomineerd werd door het nieuws rond het COVOD-19 virus, vond er in Duitsland een heel andere, maar voor Eurolanden erg belangrijke gebeurtenis plaats. Het Duitse Constitutionele Hof (Bundesverfassungsgericht) deed op 5 mei in een lang lopende zaak uitspraak. Het zet vraagtekens bij het opkoop programma van staatsobligaties van landen uit de Eurozone (PSPP) door de Europese Centrale Bank (ECB). Preciezer uitgedrukt betwijfelt zij of deelname van de Bundesbank aan dit programma in overeenstemming is met de Duitse grondwet. Op dit moment is onduidelijk hoe de consequenties van deze uitspraak zullen uitpakken. Maar het is een goede aanleiding de houdbaarheid van de Euro weer eens onder de loep te nemen, zeker ook gezien de enorme impact die “COVID-19” op de Europese economie heeft. In essentie kunnen economiën met een sterk verschillende productiviteit nooit gebruik maken van een gemeenschappelijke munt zonder dat er ernstige problemen ontstaan. Ik zal dat aantonen aan de hand van het onderstaande voorbeeld van twee auto fabrieken.

Twee auto fabrieken

De ene produceert auto’s in grote aantallen en tegen scherpe prijzen. Dat kan die fabriek omdat er een modern machinepark is. Dat staat daar, omdat er genoeg investeerders zijn, zoals pensioenfondsen, die graag in die autofabriek willen investeren. Of anders gezegd, ze willen er graag hun geld aan uitlenen, want ze krijgen er dividend terug. Die fabriek heeft bovendien werknemers met een hoog opleidings- en motivatie niveau. En er wordt veel geïnvesteerd in innovatie. Dat leidt ertoe dat er gemiddeld 3 auto’s per werknemer en per werkdag worden geproduceerd.

De andere autofabriek produceert ook auto’s, die door autoliefhebbers zeker zo gewaardeerd worden. Alleen, het machinepark is wat verouderd. Het aantrekken van investeringskapitaal is vaak lastiger, omdat investeerders voorzichtiger zijn met investeren. De financiële positie van het bedrijf is ook niet zo sterk, dus een faillissement ligt altijd op de loer. En het bedrijf heeft ook een traditie van stakende werknemers. Dat leidt ertoe dat er slechts 2 auto’s per werknemer en per werkdag worden geproduceerd.

Iedere fabriek heeft een eigen specifieke klantenkring. Beide autofabrieken hebben eigenlijk geen probleem met de vraag naar hun product. Maar de autofabriek met het verouderde machinepark moet haar auto’s wel tegen een marktconforme prijs blijven aanbieden, vooral op de internationale markt. Anders zullen een aantal klanten naar het andere automerk overstappen. Normaal gesproken zullen de werknemers, die slechts 2 auto’s per persoon produceerden, ook 2/3 van het loon kunnen verdienen van de werknemers van de productieve fabriek. Maar er was in het verleden een mogelijkheid om dit probleem te omzeilen.

Niet in twee landen

Gelukkig stonden de twee fabrieken toen niet in dezelfde landen en had ieder land zijn eigen munt. Laten we aannemen dat de productieve fabriek in Duitsland stond en de minder productieve fabriek in Italië. Door de Italiaanse lire steeds te laten devalueren, bleven de Italiaanse auto’s voor buitenlandse klanten aantrekkelijk geprijsd. En de Italiaanse werknemers hielden binnen hun land (valutagebied) toch voldoende koopkracht voor nationaal gefabriceerde producten en diensten. Er hoefde ook geen lastige verhoging van de productiviteit plaats te vinden, iets dat vaak met een afbouw van personeel gepaard gaat. De Lire verloor wel steeds verder haar waarde – van begin jaren 60 tot eind jaren 90 ongeveer 85% tegenover de Gulden – maar dat maakte van Italië een heerlijk en goedkoop toeristenland. Iedereen tevreden.

Hadden de twee autofabrieken in één land gestaan, dan was dat een probleem geweest voor de minder productieve fabriek en haar werknemers. De minder productieve fabriek had de veel hogere kostprijs niet kunnen compenseren via devaluatie van de munt waarin de auto’s door de klanten werden betaald. Immers de beide auto fabrieken hadden hun uitgaven en inkomsten in dezelfde munt gehad, omdat ze gevestigd waren in hetzelfde land. Werknemers van de minder productieve fabriek konden dan ook slecht 2/3 van het loon ontvangen van hun collega’s uit de productieve fabriek. Maar hun uitgaven voor voeding, kledingen, opleiding voor de kinderen, etc., waren wel gelijk, omdat ze in hetzelfde land leefden. Ze konden proberen hogere lonen af te dwingen, hetgeen uiteindelijk tot het faillissement van hun werkgever zou kunnen leiden. Iets dat overigens in een vrije markt veel vaker gebeurt bij bedrijven wier productiviteit te sterk achterblijft. Of de werknemers uit de productieve fabriek zouden zwaarder op hun hogere loon moeten worden belast. Met de extra verkregen belastinginkomsten konden dan de werknemers uit de minder productieve fabriek financieel worden bijgestaan. Bijv. in de vorm van allerlei subsidies. Dus, het nivelleren van inkomen. Daarmee wordt niet alleen de minder productieve fabriek in stand gehouden, er zijn ook nog andere ernstige nadelen aan verbonden.

Noord- en Zuid Europese landen

De twee autofabrieken staan natuurlijk model voor landen als Duitsland en Nederland enerzijds en alle Zuid-Europese landen, inclusief Frankrijk, anderzijds. Al deze landen maken deel uit van dezelfde muntunie, de Euro. En er zijn handels technisch geen grenzen meer tussen die landen. Het is daarmee in economische zin, op wat fiscale politiek na, één land. Het prijsniveau in die landen is daardoor vrijwel gelijk. Zijn de tomaten in Italië even goedkoper dan in Nederland, dan worden ze met wagonladingen naar Nederland gehaald. De vraag en daarmee het prijspeil stijgt in Italië, in Nederland zal het extra aanbod juist voor prijsdaling zorgen.

Maar het verschil tussen die landen als het gaat om de gemiddelde productiviteit, blijft. En daarmee het verschil in wat werknemers in die landen kunnen verdienen. Dat gaat vroeg of laat tot problemen leiden, zeker tijdens de financiële crisis van 2008, of nu tijdens de Corona crisis. Het drukt werknemers in de minder productieve landen in de richting van veel minder welvaart. Dat komt omdat, zoals eerder beschreven, het prijsniveau vrijwel op Noord-Europees niveau ligt, maar er gelijktijdig door het grote verschil in productiviteit, aanzienlijke inkomensverschillen blijven.

Welvaartsverschillen verminderen

De EU probeert die welvaartsverschillen tussen landen te verminderen. Meer welvarende landen zijn nettobetalers aan “Brussel”, met Nederland voorop. Minder welvarende landen zijn netto-ontvangers in de vorm van allerlei subsidies en investeringsgelden. In 2019 pompte de EU zo 166 miljard Euro rond.

Maar, zeker na de financiële crisis van 2008 en nu weer opnieuw na de uitbraak van het COVID-19 virus, probeert de ECB de rente op Europese staatsobligaties en daarmee de hele kapitaalmarktrente, kunstmatig laag te houden. Daar zit de echte overdracht van geld van Noord naar Zuid. De ene partij (spaarders en pensioenfondsen) heeft door de lagere rente minder rente-inkomsten. De andere partij (de Zuid-Europese landen) hoeft minder rente over de hoge staatschulden en andere leningen te betalen en heeft zo minder uitgaven. Door het inzetten van een aantal monetaire maatregelen, o.a. het rechtstreeks opkopen van Europese staatsobligaties, wordt de kapitaalmarktrente kunstmatig verlaagd. Hoeveel dat exact is, is nooit echt vast te stellen, maar een renteverlaging van minimaal 3% is een goede vuistwaarde. Die vuistwaarde is gebaseerd op een nominale ECB-rente van -0,5%, een pre-corona inflatie van 1-1,5% en een economische groei van 1,5%. In Nederland bedroeg in 2019 het totale bedrag aan spaargelden van huishoudens 368 miljard Euro. Dat betekent dat die huishoudens dus ruim 11 miljard aan rente misten. Dat is overigens 2,5 maal het bedrag dat daarop nog als “spaartax” moet worden betaald.

Wijkverpleegkundige

Waar het natuurlijk echt om gaat zijn de Nederlandse pensioengelden. Eind 2019 bedroegen die 1560 miljard, ruim 1,5 triljoen Euro. Maar vanwege de kunstmatige daling van rente en het daaraan gerelateerde aandelen dividend, scheelt dat de pensioenfondsen in Nederland een geschatte 47 miljard aan inkomsten. Het gaat dan niet alleen om geld dat uitgekeerd wordt aan reeds pensioengerechtigden. Het wordt ook gebruikt voor de verdere opbouw van de pensioenen van de deelnemers, zodat hun toekomstige pensioenaanspraken gedekt zijn. Die opbouw staat nu sterk onder druk. En dat resulteert in hogere pensioenpremies en lagere aanspraken.

Maar het knaagt direkt aan de zgn. beleidsdekkingsgraad. Het ambtenaren pensioenfond (ABP) en het pensioenfonds voor de zorg (PFZW) komen nu echt in de gevarenzone. Natuurlijk doet de lockdown van de economie die in het kader van COVID-19 nu plaatsvindt, de pensioenfondsen geen goed. Maar na de financiële crisis van 2008, hebben deze fondsen eigenlijk niet kunnen herstellen omdat ze door de kunstmatig lage rente geen reserves konden opbouwen. Als het helemaal tegenzit dreigt voor gepensioneerden van deze fondsen volgend jaar een korting tot ca. 10 %. Laten we het concreet maken, dat geldt dan voor de brandweerman, de leraar of de wijkverpleegkundige, die jarenlang door weer en wind naar haar patiënten is gefietst. En dat in het kader van solidariteit binnen Europa, zoals de voorstanders van een “ever closer Union” ons willen doen geloven? Als mensen zich dit gaan realiseren zullen ze razend worden. En dat gáát een keer gebeuren, want het is ze nooit eerlijk uitgelegd. Laat staan dat er een bewust keuzemoment is geweest.

Niets veranderd

Haast alle Zuid-Europese landen hadden voor de Eurocrisis al onhoudbaar hoge staatschulden. Die schulden zijn destijds gemaakt om overheidsuitgaven te financieren en vaak om het welvaartsniveau kunstmatig op pijl te houden. Maar niet om de economie -de autofabriek- productiever te maken. Na de Eurocrisis hebben de Zuid-Europese landen in diverse vormen noodkredieten van de ECB en het IMF gekregen, maar zijn gelijktijdig min of meer onder curatele gesteld. Dat heeft vooral geleid tot pijnlijke bezuinigingen, maar wederom niet tot het verhogen van de productiviteit. Aan de productiviteit van die landen is dus haast niets veranderd.

De uitbraak van het COVID-19 virus en de daaropvolgende lockdown van de wereldeconomie maakt de situatie er niet beter op. Sommige landen zijn zwaarder door het virus getroffen dan andere. Maar als het gaat om de economische schade blijft geen enkel land gespaard. Ook Duitsland en Nederland niet. Maar toch kijkt de EU vooral weer na die landen als het gaat om financiële noodsteun. En daarbij gaat het om astronomische bedragen. De huidige plannen belopen in verschillende vorm, een half tot één triljoen Euro. Dat kunnen ook die landen niet opbrengen. Maar omdat ze (nog) een veel lagere staatschuld hebben en productiever zijn dan de Zuid-Europese landen, kunnen ze wel mede garant staan voor toekomstige leningen zoals Euro-bonds en Corona-bonds, die door de EU vooral t.b.v. de Zuid-Europese landen worden uitgegeven. Mede garant staan betekent de facto haast volledig garant staan want Zuid-Europese landen zullen, als puntje bij paaltje komt, weinig gewicht in de schaal leggen.

Wederzijdse houdgreep

Noord- en Zuid-Europese landen houden elkaar via de Euro in een wederzijdse houdgreep. Zolang de productiviteit van de Zuid-Europese landen niet beter wordt, zijn ze voortdurend aangewezen op financiële steun in enige vorm van de Noord-Europese landen. Dat leidt tot veel irritatie bij de Zuid-Europese landen, omdat er steeds weer voorwaarden worden verbonden aan die steun. Ze voelen dat als een inmenging in hun binnenlandse politiek. In de Noord-Europese landen begint er echter ook steeds meer weerstand te ontstaan tegen de voortdurende overdracht van geld in enige vorm. Veel burgers voelen intuïtief aan, dat het met hun eigen financiële situatie sedert de invoering van de Euro niet de goede kant op gaat. Voorstanders van de Euro blijven echter op het belang van de Eurozone hameren. Recent zei Rob Jetten (D66) in een interview met de NRC dat “zo een (Nederlandse) bloementeler zijn bloemen in Italië kan blijven verkopen”. Dat mag misschien waar zijn, maar de klant doet dat met geld, geleend van diezelfde bloementeler, waarbij het nog maar de vraag is of die zijn geld ooit terugkrijgt.

Dat de Zuid-Europese landen niet veel productiever zijn, net zo productief als de Noord-Europese landen, heeft te maken met politieke keuzes die daar vele tientallen jaren zijn gemaakt. Ver voor de invoering van de Euro. Dan gaat het over de grootte van de collectieve sector en de rol van de staat, het ondernemersklimaat, de lengte van de werkweek, de pensioengerechtigde leeftijd etc. Als deze landen onder de best denkbare economische omstandigheden hun productiviteit al niet konden verbeteren, dan zal het onder veel slechtere omstandigheden helemaal niet lukken. Het is het soevereine recht van die landen om deze keuzes te maken. Maar het is ook het soevereine recht van de Noord-Europese landen om dan te stoppen met voortdurende financiële steun. En dat betekent het einde van de Euro. Overigens, de EU als vrijhandelszone is een uitstekend idee en heeft iedereen meer welvaart gebracht, iets dat zeker in stand moet blijven. Maar het gedwongen Euro-huwelijk gaat een keer stranden. Hoe eerder het wordt ontbonden hoe beter het is. Zuid-Europese landen zijn dan weer baas in eigen huis en kunnen de productiviteit buiten de Eurozone naar eigen inzicht en in hun eigen tempo verhogen. En voor Noord-Europese landen betekent dit geen waardeoverdracht meer van Noord naar Zuid, dus weer een rente voor spaarders en indexeerbare pensioenen.

Dat opbreken van de Euro gaat vroeg of laat een keer gebeuren. Maar de Euro is het boegbeeld geworden van de (federale) Europese Unie. Het is een prestigeobject waarover haast geen rationele discussie meer mogelijk is. Dus zijn er veel pro-EU partijen die zich er met hand en tand tegen zullen verzetten. Dat zal het scheidingsproces onnodig lang maken en erg pijnlijk. En vooral met veel economische schade. En het zal vooral de “Europese gedachte” op grote achterstand zetten. Jammer en totaal onnodig.

Bio

Bert Wenkenbach heeft lang voor grote ondernemingen gewerkt en is verantwoordelijk geweest voor grote bedrijfsonderdelen. Hij heeft zo goed kunnen zien hoe economie in de praktijk functioneert. Hij wil mensen (weer) vertrouwd maken met de belangrijkste economische basisprincipes. Daartoe heeft hij het boek Economie, Politiek en de Eurocrisis geschreven. Het gaat over begrijpen hoe welvaart ontstaat en vergaat.

De foto is gemaakt door David Stewart en wordt gebruikt onder deze licentie

One comment on “Is de Euro uiteindelijk wel houdbaar?

  • H. Vanerps , Direct link to comment

    De productiviteit van de landen die deel uitmaakten van de Latijnse muntunie liep nog verder uiteen dan deze van de Eurolanden. Toch was er een wereldoorlog nodig om de Latijnse muntunie te breken. De houdbaarheid van de Euro is mijns inziens beperkt omdat het een fiatmunt is en omwille van het marktverstorende beleid van de ECB.

Leave a comment