Het onvermijdelijke verdwijnen van links en rechts

zo 16 juni, 2019
Auteur Willem Cornax
Photo Credit: .robbie Flickr via Compfight cc

Met de groeiende politieke bewegingen, zoals Forum of PvdD, die zich afzetten tegen de bestaande dogma’s of nieuwe wegen met oude idealen zoeken wordt er regelmatig geopperd dat het verschil tussen politiek links en rechts vervaagd is. Een frisse duik in de geschiedenis van het economisch denken laat echter zien dat dit onderscheid al sinds de jaren ’50 niet meer bestaat. De reden dat we dat nu pas merken zullen we hier bespreken. Er zijn drie punten van belang voor deze analyse. Dit zijn de kiemen van verandering en de omwenteling, onze imperfecte realiteit en afsluitend de beweging van ideeenwereld naar tekentafel en van een principieel onderscheid naar een procentueel onderscheid.

Kiemen van verandering

De Eerste Wereldoorlog ziet een enorme omwenteling in de manier waarop onze samenleving georganiseerd is. De Nederlandse econoom C.A. Verrijn Stuart karakteriseert dit verschil in 1917 al als de transitie van een senleving gebaseerd op vrijwillige associatie naar een gedirigeerd van bovenaf. 

Dit dirigisme trof ook Nederland. Voedsel werd gerantsoeneerd, de in- en uitvoer van materialen en grondstoffen gecontroleerd. Kortgezegd, de Nederlandse economie werd centraal gestuurd. Toch bleef het economisch en maatschappelijk leven bestaan. Verrijn Stuart noemt dit een overmijdeljjk gevolg van de moderne industriële oorlogsvoering. Socialisten zagen hierin bewijs dat een samenleving centraal aangestuurd kon worden. Het is hier dat de kiemen van de omwenteling voor de omwenteling in het denken van liberalen gelegd wordt.

De omwenteling in het denken

De fundamentele scheiding tussen socialisten en liberalen is die van menselijke perfectie tegenover menselijke onvolkomenheid. Menselijke perfectie heeft betrekking op kennis en handelen. 

Deze perfectie is in ultimo geworteld in het rationalisme van de 16e eeuw. Dit ging er vanuit dat de werking van ideeen en de mens zelf uiteindelijk mechanisch verklaard zou kunnen worden. Kort gezegd, een idee is uiteindelijk een bepaalbare chemische of biologische substantie. 

Deze gedachte is ook terug te vinden bij het burgerlijk handelen in Rousseau’s ‘Du Contrat Social’. Hij postuleert dat de burger eigenlijk wel weet hoe hij het beste kan handelen, maar hij doet het niet vanwege allerlei sociale omstandigheden, zoals afkomst of positie. De mens werkt perfect en wordt door externe invloeden gecorrumpeerd.

Ten aanzien van de perfecte kennis kunnen we wijzen op de fictie van de homo economicus. Dit idee voorondersteld dat de mens altijd rationeel handelt omdat hij perfecte kennis heeft van de omstandigheden waaronder hij zijn keuzes maakt. Als hij een fout maakt ligt dat aan externe omstandigheden. Dit ontkent de realiteit waarin de mens juist niet perfect is en ook niet perfect handeld. Dit is een omwenteling omdat het fouten in het eigen handelen aan externe oorzaken kan wijten. Het is dan niet meer nodig om eigen ideeen en handelingen te onderzoeken op juistheid.

De imperfecte realiteit

In de realiteit loopt anders. U weet niet alles als u een beslissing neemt en handelt dus op voorhand imperfect. Er zal altijd een verschil zijn tussen het idee dat u hebt en de daadwerkelijke uitvoering. Er zijn misschien anderen die stukjes kennis hebben die u niet hebt en andersom. 

De oplossing hieromtrent is samenwerking tussen mensen. Die samenwerking is noodzakelijkerwijs vrijwillig. Dat is zo omdat een verplichte samenwerking veronderstelt dat degene die verplicht beter dan de betrokken partijen weet wat zij missen. Als dat zo is, waarom zou deze verplichtende partij niet zelf meedoen?

Deze samenwerking is wat Verrijn Stuart bedoelde met vrije associatie. Een samenleving zo gefundeerd biedt mogelijkheden die niemand voor ogen kan houden.

Er wordt hier een weg gezocht om de menselijke imperfectie zelf te verbeteren in plaats van de oorzaak van het imperfect handelen bij de buitenwereld te leggen. Dit is terug te vinden in de katholieke doctrine dat de mens zondig is en vergeven kan worden. Er is voor ieder een eigen weg naar verbetering. Een weg om met de imperfecte realiteit om te gaan. Wat heeft dit nu nog met politiek links en rechts te maken?

Van denkwereld naar tekentafel

De ideenwereld die Verrijn Stuart beschreef erkent een wereld waarin gedacht kan worden zonder doel. De wereld waarin alles gepland wordt op een tekentafel. Er is geen ruimte voor afwijking. De transitie van denken is er een van denkwereld naar tekentafel. Van vrije associatie naar vastgepinde samenwerking.

Het is deze transformatie die in de jaren die liberalen een voor een hun grondbeginselen doet opgeven in de jaren ’20. Deels onder druk van de verbreding van de stemgerechtigde deelnemers, deels omdat ze er zelf toch niet zo bekend mee waren, deels omdat de tijdgeest die tekentafeloplossingen eist niet op ideeen zit te wachten. Hierin ligt de sleutel voor het verdwijnen van politiek links en rechts.

Van principieel naar procentueel

Voor de Tweede Wereldoorlog komen in Parijs een groot aantal liberalen bij elkaar. Zij stellen daar dat het Liberalisme aangepast moet worden aan de huidige tijd. Dit is het zogenoemde Lippman-colloquium, naar de Amerikaanse organisator. Na de oorlog worden deze gesprekken hervat en ziet men het enorme succes van de verschillende collectivistische stromingen; fascisme, (nationaal-)socialisme en communisme. Dat moeten liberalen toch kunnen nadoen?

Het principiële onderscheid tussen liberalen en socialisten is dat in de liberale ordening de burger de samenleving vormgeeft. De staat heeft zich niet te bemoeien met ethiek, moraal en samenleven in het algemeen. Dat gold niet voor elk liberaal. Zo verklaarde Thorbecke al dat er geen ruimte meer voor verenigingen buiten het primaat van de politiek mocht bestaan.

Liberalen maken dan, eindelijk, de overstap naar de grondslagen van hun tegenstrevers. Liberalen accepteren dat het de staat is die ten principale de samenleving ordent. Dat het de staat is die voor markttoegang moet zorgen, voor goede marktwerking, etc. etc. Vanaf dit moment in de jaren 50 kunnen liberalen dan ook geen principiële oppositie meer zijn van socialisten. Zij aanvaarden de centraliserende werking van de sociaal-democratie en worden daarmee socialist.

Het onvermijdelijke verdwijnen

Doordat liberalen de basisprincipes van een socialiserende samenleving omarmt hebben glijden zij onweerstaanbaar in de richting van centralisering, van materialisme, van uitvlakken van de kwalitatieve banden in de samenleving. Het is hierdoor dat het onvermijdelijk is dat links en rechts gaan verdwijnen. Nu weet u waarom. Vanaf de jaren ’50 omarmen politiek links en rechts dezelfde basisprincipes ten aanzien van de ordening van de samenleving. Rechts-zijn betekent dat de staat niet teveel ordent, links-zijn betekent dat afwachten tot de voormalig tegenstrever vanzelf het socialistische kamp inloopt.

Het is deze omslag die zelden gezien wordt. Het is deze omslag waar de Oostenrijkse School zich duidelijk onderscheidt. De twee belangrijkste economen van deze school uit die tijd, Mises en Hayek, distantieerden zich van deze verschuiving van principiële naar procentuele oppositie en waarschuwden uitvoerig voor de uiteindelijke gevolgen. 70 Jaar later hebben zij gelijk gekregen, want na 70 jaar water bij de wijn doen is er van liberalisme in de politiek vrijwel niets terug te vinden. Tijd voor nieuwe grondslagen!

Wilt u meer weten over de Oostenrijkse School? Op 30 en 31 Augustus organiseren wij onze jaarlijkse zomercursus. Meer informatie? Klik hier!