De grote inflatie misvatting

Prijsstijgingen in olie, gas, voedsel en woonvoorzieningen zijn de laatste tijd eerder de regel dan de uitzondering. Vaak worden deze prijsstijgingen geduid als ‘inflatie’. De Oostenrijkse school heeft een fundamenteel andere kijk op wat het begrip inflatie inhoudt. Volgens de gebruikelijke economische leer is inflatie een stijging van het algemene prijspeil. Ook in dagelijks spraakgebruik wordt het woord inflatie gebruikt om een stijging van de prijzen aan te duiden. De Oxford dictionary beschrijft het woord ‘inflation’ in 2021 daarom ook als:

‘a general rise in the prices of services and goods in a particular country, resulting in a fall in the value of money; the rate at which this happens’.

De Oostenrijkse school keurt bovenstaande beschrijving af. Volgens de Oostenrijkse school is inflatie namelijk niet een stijging van het prijspeil. Inflatie is volgens de Oostenrijkse school het groeien van de geldhoeveelheid. Het stijgen van prijzen is hier enkel een gevolg van. Het woord inflatie, ofwel het Engelse woord ‘inflate’ is een synoniem voor uitdijen of opblazen. Een ballon zal uitdijen wanneer deze wordt opgeblazen. Prijzen kunnen echter niet uitdijen, prijzen kunnen enkel stijgen of dalen. Inflatie heeft daarom enkel betrekking op het groeien van de geldhoeveelheid.

Historisch gezien was de Oostenrijkse definitie daarom ook de enige juiste. Door toedoen van de overheid en mainstream economische leer is er echter verwarring ontstaan over wat inflatie precies inhoudt. 

In de Oxford dictionary uit 1954 werd ‘inflatie’ namelijk nog wel juist beschreven:

‘Abnormal increase of the currency e.g by the issue of inconvertible legal tender notes’

Deze beschrijving is gelijk aan de Oostenrijkse en stelt dat inflatie een groei van de geldhoeveelheid is. 

Gevolgen

Een foutieve definitie van inflatie hanteren lijkt op het oog een onschuldige vergissing, ware het niet dat de gevolgen groot zijn. Doordat de huidige definitie niet naar het groeien van de geldhoeveelheid verwijst wordt de werkelijke oorzaak van stijgende prijzen verdoezeld. Klassiek econoom Milton Friedman zei ooit: ‘Inflatie is enkel en overal een monetair fenomeen’. Hiermee verwees hij naar het feit dat de centrale bank de enige schuldige is aan het veroorzaken van inflatie. De centrale bank is namelijk als enige in staat om de geldhoeveelheid te laten groeien. 

Vanwege de huidige definitie kunnen centrale banken en overheden de “inflatie” afschuiven op andere factoren. In de jaren ’70 van de vorige eeuw werd de grote stijging van de olieprijzen (de oliecrisis) en de autoloze zondagen die daarop volgde gewijd aan de ‘hebberige’ oliestaten die meer winst wilde maken op de olie. Terwijl de werkelijke oorzaak lag bij het verlaten van de goudstandaard in 1971. Door het verlaten van de goudstandaard kon de geldhoeveelheid voor het eerst volledig los worden gekoppeld van de hoeveelheid goud. Dit maakte een enorme groei van de geldhoeveelheid mogelijk (inflatie). Het stijgen van de olieprijzen was hier een gevolg van. Sterker nog, gemeten in goud (tot 1971 geld) stegen de olieprijzen helemaal niet maar daalde ze juist. De Saudie’s kregen in 1971 meer goud voor een vat olie dan in 1980. In 1971 kostte een vat olie namelijk 0,7 oz goud en in 1980 slechts 0,2 oz. Gemeten in de instabiele dollar steeg de olieprijs wel van $25 naar $130.

Door de nieuwe definitie kunnen overheden bij prijsstijgingen de schuld op het bedrijfsleven of producenten van goederen afschuiven. Door te stellen dat bedrijven prijzen laten stijgen om meer winst te maken of omdat er ‘tekorten’ zijn. De oude definitie legt de schuld van inflatie bij de overheid. Geld printen leidt tot een surplus aan geld en dus stijgende prijzen. Het is belangrijk om de juiste definitie van inflatie te blijven gebruiken zodat de overheid verantwoordelijk kan worden gehouden.

De foto is gemaakt door: Het Mises Instituut Nederland

Leave a comment