Economie begrijpen: Methode & Orde

Handelen, Waarde en Marktorde

De Oostenrijkse School vertrekt vanuit het eenvoudige maar fundamentele gegeven dat mensen handelen. Mensen handelen doelgericht om hun situatie te verbeteren. Vanuit dit uitgangspunt wordt een deductieve methode ontwikkeld, door Mises praxeologie genoemd.

Deze benadering gaat ervan uit dat alleen individuen handelen. Daarom is zij consequent methodologisch individualistisch. Begrippen als ‘de economie’, ‘de samenleving’ of ‘de staat’ zijn verzamelbegrippen voor het handelen van individuen. Economische verschijnselen zijn alleen te begrijpen als het resultaat van de keuzes, handelingen en interacties van individuen.

Deze benadering vindt haar oorsprong bij Carl Menger (1840-1921), de grondlegger van de Oostenrijkse School en een van de grondleggers van het zogeheten marginalisme. Anders dan de twee andere pioniers, William Stanley Jevons en Léon Walras, gaf Menger hieraan geen mathematische, maar een mensgerichte en realistische invulling, die ‘subjectivisme’ wordt genoemd. Omdat mensen handelen om hun situatie te verbeteren, hangt de waarde die zij aan goederen en diensten toekennen af van hun voorkeuren en concrete omstandigheden.

Prijzen komen tot stand uit deze individuele waarderingen en hangen samen met de waarde van de eenheid van een goed of dienst die voor iemand op dat moment het minst belangrijk is — de zogenoemde marginale eenheid.

Vanuit deze prijsvorming ontstaat economische orde.

Marktprijzen maken het mogelijk om goederen en diensten te waarderen die niet voor eigen gebruik, maar voor anderen worden geproduceerd. Zonder prijzen die door vrije handel tot stand zijn gekomen, is het niet mogelijk om de voor- en nadelen van verschillende producten en productiewijzen met elkaar te vergelijken en af te wegen.

Zonder particulier eigendom en vrije prijsvorming wordt het daardoor onmogelijk om middelen op de economisch meest verantwoorde manier te gebruiken.

Winst is niet alleen op te vatten als geldelijk gewin, maar algemener als het resultaat van een succesvolle actie om het leven aangenamer te maken. Elke actie of onderneming is gericht op winst in de zin van een uitkomst die beter is dan de uitgangssituatie en meer oplevert dan onze inspanningen ons kosten. Winst is daarom te zien als een blijk van succes en niet alleen als het geldelijk gewin van bedrijven. Zonder vooruitzicht op winst is handelen niet zinvol. Geen enkele menselijke onderneming is vol te houden zonder het maken van winst in deze algemene zin.

In een vrije samenleving staat productie in dienst van de consument, dat wil zeggen van iedereen die handelt om zijn situatie te verbeteren. Winst en verlies brengen ondernemers ertoe hun activiteiten zo goed mogelijk af te stemmen op de wensen van consumenten en op de beschikbare middelen.

Concurrentie is in dit proces een positieve en scheppende kracht. Zij heeft in een vrije samenleving een ander karakter dan concurrentie in de natuur. Het is geen strijd om schaarse, gegeven middelen waarin deelnemers elkaar verdringen, maar een proces waarin betere manieren worden ontdekt om middelen te gebruiken en waarde te creëren.

Van belang is dat iedereen het recht heeft om voor eigen rekening en risico en naar eigen inzicht consumenten op een betere of goedkopere manier te bedienen, zonder te worden beperkt door voorrechten van gevestigde belangen. Het belangrijkste kenmerk van een vrije markt is daarom niet het aantal aanbieders, maar vrije toetreding.

Er is altijd concurrentie van vervangende producten, ongeacht het aantal aanbieders op een markt. Elk product concurreert uiteindelijk om de koopkracht van de consument met alle andere goederen en diensten waarvoor deze kan kiezen. Het vliegtuig van de ene maatschappij concurreert niet alleen met dat van een andere maatschappij, maar ook met de trein, de auto of de fiets, met een avond thuis op de bank of een etentje met een betere fles wijn.

Zoek op naam of categorie