De ironie van wetten tegen groepsbelediging is dat zij precies het collectivistische denken institutionaliseren dat zij beweren te bestrijden. Wie groepen beschermt tegen woorden, verklaart groepen tot juridische realiteit. Daarmee bevestigt de wetgever exact het wereldbeeld waartegen hij zegt op te treden.
Artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht beschermt geen individuen. Het beschermt categorieën: ras, godsdienst, afkomst, geaardheid. De staat tilt die kenmerken op tot bron van rechten en duwt daarmee iedere burger terug in een hokje dat hij misschien nooit gekozen heeft. De groepsidentiteit wordt juridisch relevant gemaakt door precies de instantie die zegt voor gelijkheid te staan.
Vanuit klassiek liberaal en libertair perspectief is dat een denkfout. Mensen zijn geen vertegenwoordigers van een ras, een volk of een etniciteit. Zij zijn individuen, met eigen rechten en eigen verantwoordelijkheid. Niemand erft de schuld van zijn voorouders en niemand verdient bescherming louter op grond van zijn afkomst.
Precies hier raakt de kritiek ook de etnonationalist. Hij maakt namelijk dezelfde fout, alleen met omgekeerd teken. Hij reduceert de mens eveneens tot zijn afkomst. Voor de één is ras een reden tot bescherming, voor de ander een reden tot uitsluiting. Beiden vertrekken vanuit hetzelfde collectivistische uitgangspunt: dat de groep voorafgaat aan het individu. De activist die om strafrechtelijke bescherming vraagt en de nationalist die zuiverheid eist, zijn spiegelbeelden. Zij twisten over de inhoud van het collectief, niet over het bestaan ervan.
Een vrije samenleving kent geen collectieve schuld en geen collectieve rechten. Individuen bezitten eigendom, sluiten contracten en dragen de gevolgen van hun daden. Groepen doen dat niet. Een groep heeft geen eigendomsrecht op haar eer, haar identiteit of haar gevoelens. Eer laat zich niet bezitten en gekwetstheid is geen schending van een recht.
Daarom is vrijheid van meningsuiting geen luxe maar een fundament. Woorden zijn geen geweld. Een belediging breekt geen botten en steelt geen bezit. Alleen de directe bedreiging, de fraude en het daadwerkelijk initiëren van geweld schenden rechten, omdat zij ingrijpen in andermans persoon of eigendom. Al het overige, hoe grof of onaangenaam ook, blijft binnen de grenzen van de vrijheid.
Het werkelijke gevaar schuilt in het moment waarop de staat gaat bepalen welke opvattingen over groepen nog geuit mogen worden. Dan verschuift de samenleving ongemerkt van individuele vrijheid naar beheerd denken. De burger leert niet langer wat waar is, maar wat veilig is om te zeggen. Een overheid die de eer van collectieven bewaakt, kweekt geen verdraagzaamheid maar voorzichtigheid, en uiteindelijk stilte.
De oplossing is niet meer bescherming maar minder. Wie de mens serieus neemt als individu, laat hem zelf antwoorden op woorden die hem niet bevallen. Met tegenspraak, met argument, desnoods met spot, maar nooit met de strafrechter.Een vrije rechtsorde beschermt personen en eigendom. Zij beschermt geen collectieve gevoelens. Dat onderscheid is belangrijk. Het is het verschil tussen een samenleving van vrije individuen en een samenleving van bewaakte groepen.