Geen “vrijhandels”verdragen meer: het is tijd voor onvervalste vrije handel

ma 24 oktober, 2016

wereldkaart

Het is onjuist te denken dat voorstanders van vrije handel altijd voorstanders zijn geweest van handelsovereenkomsten tussen overheden. Paradoxaal genoeg is juist het tegenovergestelde waar. Gek genoeg trappen veel voorstanders van laissez-faire handel in de door overheden opgezette val door “vrijhandelsverdragen” te steunen. Maar zoals Vilfredo Pareto in zijn artikel “Traités de commerce of the Nouveau Dictionnaire d’Economie Politique” (1901) opmerkte:

“Als we vrijhandel accepteren, hebben handelsverdragen geen bestaansrecht. Er is dan geen behoefte aan, omdat wat ermee hersteld moet worden, niet meer bestaat, aangezien elk land elk goed ongehinderd zijn grenzen laat passeren. Dit was de leer van J.B. Say en de hele Franse economische school tot aan Michel Chevalier. Het is hetzelfde model dat Léon Say onlangs overnam. Het was ook de leer van de Engelse school tot aan Cobden. Cobden schoof, door zijn aandeel in het verdrag tussen Engeland en Frankrijk van 1860, op in de richting van de verfoeilijke praktijk van wederkerige verdragen, en vergat bijna de leer van de politieke economie waarvan hij in het eerste deel van zijn leven zo’n vurige voorstander was.”1De originele Franse versie is als volgt: Si l’on admet le libre-échange, les traités de commerce n’ont aucune raison d’exister comme but. Il n’y en a pas besoin, puisque la matière qu’ils devraient régler n’existe plus, chaque peuple laissant librement, à ses frontières, entrer et sortir toute marchandise. C’est la doctrine de J.B. Say et de toute l’école économique Française jusqu’à Michel Chevalier; c’est celle qu’a reprise récemment M. Léon Say. C’était également la doctrine de l’école économique anglaise jusqu’à Cobden. Cobden, en prenant la responsabilité du traité de 1860 entre la France et l’Angleterre, s’est rapproché de faire revivre la détestable politique des traités de réciprocité et d’oublier les doctrines de l’économie politiques dont il avait été dans la première partie de sa vie le défenseur intransigeant. In Léon Say, ed., “Nouveau Dictionnaire d’économie politique” (Guillaumin: Paris, 1900): 1047.

In 1859 bezocht de Franse liberale econoom Michel Chevalier Richard Cobden om een vrijhandelsverdrag tussen Frankrijk en Engeland voor te stellen. Dit verdrag, in 1860 aangenomen, was voor voorstanders van vrijhandel zeker een tijdelijk succes. Wat minder goed bekend is, is dat in eerste instantie Cobden, in overeenstemming met de leer van vrijhandel, weigerde om te onderhandelen of om welk vrijhandelsverdrag dan ook te ondertekenen. Zijn argument was dat vrijhandel eenzijdig moet zijn en dat het niet uit verdragen bestaat, maar uit de totale vrijheid van internationale handel, ongeacht waar producten vandaan komen.

Chevalier slaagde er uiteindelijk in om Cobden’s steun te verwerven. Maar Cobden was ontsteld over de complete geheimzinnigheid rondom de onderhandelingen en schreef deze in een brief aan Lord Palmerston toe aan het Franse “gebrek aan moed”.2Gustave de Molinari, “Michel Chevalier, ‘Sa Vie et Ces Travaux,’” Journal des Economistes 4, no. 25 (1880): 30–39. Het gebrek aan transparantie in onderhandelingen over vrijhandelsverdragen is vandaag de dag net zo problematisch en het is vaak lastig om van tevoren te weten wat de inhoud van een verdrag zal zijn.

Terwijl over een aantal verdragen nog wordt onderhandeld, is er al een aantal soortgelijke overeenkomsten van kracht. Zo is er de Wereldovereenkomst voor Tarieven en Handel (General Agreement on Tariffs and Trade (GATT)), de Algemene Overeenkomst over Handel in Diensten (General Agreement on Trade in Services (GATS)), Agreement on Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights (TRIPS), of meer regionale overeenkomsten zoals NAFTA en het Europese Economisch Gebied.

Maar waarom zouden protectionistische overheden, die vooral bezig zijn met het hinderen van markten door monopolieposities en andersoortige privileges op nationaal niveau te verlenen, ineens markten op internationaal niveau open willen breken? Het feit dat overheden onderhandelen in de naam van vrijhandel zou alleen al daarom voor elke libertariër of voorstander van vrijhandel verdacht moeten zijn.

Intergouvernementele overeenkomsten vergroten overheidsmacht

Murray Rothbard was fel tegenstander van NAFTA en toonde aan dat wat op zeer Orwelliaanse wijze “vrijhandel” werd genoemd in werkelijkheid niets anders was dan een manier om een kartel te creëren en de macht van de overheid over de economie te vergroten. Een aantal aanwijzingen bracht ons tot de conclusie dat achter vrijhandelsovereenkomsten vaak protectionistisch beleid schuilgaat. Zoals Rothbard zei “echte vrijhandel heeft geen verdrag nodig”.

De eerste aanwijzing is de intergouvernementele en “top-down” benadering. Intergouvernementalisme is niets anders dan een proces dat overheden gebruiken om hun soevereiniteit wederkerig te maken om zo zaken voor elkaar te krijgen die ze in hun eentje niet voor elkaar kunnen krijgen. Natiestaten zijn entiteiten die zelden macht opgeven. Wanneer ze overeenkomsten afsluiten, is het om hun macht te vergroten, niet om haar te verzwakken. Hier tegenover staat vrijhandel, die een afname van overheidsmacht vereist.

Vrijhandel heeft ook geen internationale samenwerking nodig. Integendeel, vrijhandel kan en moet eenzijdig tot stand komen. Net zoals vrije meningsuiting geen internationale samenwerking nodig heeft, heeft de vrijheid om met buitenlanders te handelen geen overheden of verdragen nodig. Zo moet de politiek de bevolking ook niet beroven met corporatistisch en protectionistisch beleid alleen omdat andere landen dat ook doen. Wie in vrijhandel gelooft, is niet bang voor unilateralisme. Het simpele feit dat bureaucraten en politici de internationale economie niet buiten een juridisch kader vastgesteld door intergouvermentele overeenkomsten kunnen bevatten, laat hun wantrouwen van individuele vrijheid zien. Dit versterkt de overtuiging dat deze afspraken geïnspireerd worden door mercantilistische belangen in plaats van door echte vrijhandelsdoelen.

Uitbreiding van regelgevende macht buiten de eigen grenzen

De tweede aanwijzing betreft de intense conflicten tussen overheden over deze overeenkomsten, die opvallend genoeg altijd erg technisch van aard zijn. De geschiedenis laat zien dat multilateralisme tot stilstand leidt. Het falen van de Doha ronde heeft geleid tot de snelle groei van bilaterale en regionale initiatieven. De gespannen relatie tussen overheden komt door de wens van sommige staten om hun normen aan producenten in andere landen op te leggen door een proces van internationale harmonisatie. Dit is precies het tegenovergestelde van vrijhandel. Zoals economische theorie ons laat zien, is handel en de arbeidsdeling niet op gelijkheid en harmonisatie gebaseerd, maar op verschillen en ongelijkheid. Voorts bevorderen de technische complexiteit en geheimzinnigheid rondom vrijhandelsovereenkomsten mercantilisme en protectionisme in zoverre dat technische regulering gebruikt wordt om producenten te bevoordelen die goede politieke connecties hebben.

De Trans Pacific Partnership (TPP) is een goed voorbeeld van deze machtsverhouding. Het was eerst een overeenkomst tussen vier landen (Brunei, Nieuw-Zeeland, Singapore en Chili) die samen de commerciële invloed van sommige buurlanden wilden tegengaan, vooral China. Toen kwamen de Verenigde Staten en haalden ze meer landen (Australië, Maleisië, Peru, Vietnam, Canada, Mexico, en Japan) over om aan de onderhandelingen deel te nemen. Laten we ook niet vergeten dat de meeste landen die uitgenodigd werden, reeds gehouden waren aan andere overeenkomsten met de Verenigde Staten. China blijft van het proces uitgesloten. De gouvermentele neiging naar meer hegemonie in de regelgevende macht is uiteraard compleet het tegenovergestelde van vrijhandel. Vrijhandel veronderstelt immers dat consumenten in alle vrede de producten kunnen kiezen waaraan zij de voorkeur geven, in plaats van via bureaucratische dwang vaststellen wat er beschikbaar is.

Consolidatie van monopolies

De derde aanwijzing betreft de ijver waarmee overheden de afgelopen op internationaal niveau decennia een restrictiever raamwerk voor zogenaamd “intellectueel eigendom” proberen op te leggen. De eerste initiatieven dateren van 1883 en 1886 met de Paris Convention for the Protection of Industrial Property en de Bern Convention for the Protection of Literary and Artistic Works. Deze conventies zijn tijdens de twintigste eeuw een aantal keer geamendeerd en respectievelijk 176 en 168 staten nemen er aan deel. Het toezicht op deze conventies is ondergebracht bij de World Intellectual Property Organization (WIPO), een internationale bureaucratie die sinds 1974 onder de Verenigde Naties resorteert. Een keerpunt kwam in 1994 met de ondertekening van TRIPS bestuurd door de Wereld Handelsorganisatie. Het is nu een essentieel onderdeel van het bestuur van internationale handel.

In 2012 ondergingen we een nieuwe poging van onze overheden om onze vrijheid om intellectuele werken te creëren en met elkaar te delen te verminderen met de Anti-Counterfeiting Trade Agreement (ACTA, Handelsovereenkomst ter bestrijding van namaak). En als we naar de onderhandelingsmandaten van deze overeenkomsten kijken, zien we dat ze allemaal een hoofdstuk bevatten over het recht op “intellectueel eigendom”. Intellectueel eigendom is een sleutelbegrip geworden in de internationale economie. Maar dit moet het onrecht hiervan niet verbergen.

Zoals Vilfredo Pareto opmerkte: “Vanuit het gezichtspunt van de protectionist zijn handelsverdragen … het belangrijkste voor de economische toekomst van een land. Elke keer dat er een nieuw “vrijhandelsverdrag” ingevoerd wordt, zien we een verzwakking van tariefbarrières. Maar, wat we niet zien is de onderhandse uitbreiding en harmonisatie van niet-tariefbarrières die het vrije ondernemerschap ondermijnen en internationale monopolies creëren ten koste van de consument. Het is tijd voor échte vrijhandel.

Dit is een vertaling van het originele arikel door Ferghane Azihari en Louis Rouanet op mises.org.

Vertaald door M.W. Hampton, social media manager van de Libertarische Partij (LP)

References   [ + ]

1. De originele Franse versie is als volgt: Si l’on admet le libre-échange, les traités de commerce n’ont aucune raison d’exister comme but. Il n’y en a pas besoin, puisque la matière qu’ils devraient régler n’existe plus, chaque peuple laissant librement, à ses frontières, entrer et sortir toute marchandise. C’est la doctrine de J.B. Say et de toute l’école économique Française jusqu’à Michel Chevalier; c’est celle qu’a reprise récemment M. Léon Say. C’était également la doctrine de l’école économique anglaise jusqu’à Cobden. Cobden, en prenant la responsabilité du traité de 1860 entre la France et l’Angleterre, s’est rapproché de faire revivre la détestable politique des traités de réciprocité et d’oublier les doctrines de l’économie politiques dont il avait été dans la première partie de sa vie le défenseur intransigeant. In Léon Say, ed., “Nouveau Dictionnaire d’économie politique” (Guillaumin: Paris, 1900): 1047.
2. Gustave de Molinari, “Michel Chevalier, ‘Sa Vie et Ces Travaux,’” Journal des Economistes 4, no. 25 (1880): 30–39.