Het stille faillissement van het Spaanse staatspensioen

Spanje staat niet op het punt morgen failliet te gaan, maar het pensioenstelsel is structureel uit balans. Het functioneert zoals de Nederlandse AOW: de huidige werkenden financieren de huidige gepensioneerden. Het verschil is cruciaal. Spanje beschikt nauwelijks over een kapitaalgedekte tweede pijler. Voor miljoenen burgers vormt het staatspensioen de ruggengraat van hun inkomen na pensionering, met privé-sparen als enige aanvullende optie.

De demografie ondermijnt dit model.

In 1975 waren er 4,7 werkenden per gepensioneerde.

In 2000 nog 2,9.

In 2024 circa 2,0.

Volgens Eurostat daalt dit richting 1,3 in 2050.

Met zo’n verhouding kan een repartitiesysteem alleen blijven functioneren via hogere lasten, lagere uitkeringen of structurele transfers uit de begroting.

De uitgaven evolueren navenant:

1995: circa 8% van het BBP.

2010: circa 10%.

2023: ongeveer 12 tot 13%.

Projecties: 16 tot 17% van het BBP tegen 2050.

In 2023 moest de centrale overheid meer dan €38 miljard bijpassen om de sociale zekerheid te ondersteunen. Dat bevestigt dat premie-inkomsten alleen niet langer volstaan. De demografische trend versterkt de druk:

Vruchtbaarheid: circa 1,2 kinderen per vrouw.

Levensverwachting: 83 jaar.

Aantal pensioenen vandaag: meer dan 10 miljoen.

Projectie 2050: meer dan 15 miljoen.

De Spaanse economie

Tegelijk kampt Spanje met structurele werkloosheid, een duale arbeidsmarkt en zwakke productiviteitsgroei. De Spaanse libertaire econoom Juan Ramón Rallo heeft dit probleem jarenlang geanalyseerd. Hij wijst erop dat het pensioenstelsel een impliciete staatsschuld vertegenwoordigt: toekomstige verplichtingen moeten worden betaald door toekomstige belastingbetalers, terwijl er geen kapitaalreserves tegenover staan. Bijdragen creëren geen individueel eigendomsrecht, maar functioneren als een intergenerationele belasting.

Rallo benadrukt ook een vaak genegeerde paradox. Het BBP van Spanje groeit, maar burgers worden niet noodzakelijk rijker. Groei komt grotendeels voort uit bevolkingsgroei en migratie, niet uit productiviteitsstijging. De economie groeit, maar de economische vooruitgang per burger blijft beperkt. Het BBP per capita stagneert, terwijl de belastingdruk stijgt om pensioenen te financieren.

Volgens Rallo ondermijnt dit model zowel economische efficiëntie als rechtszekerheid. Jongere generaties betalen steeds hogere bijdragen voor uitkeringen die demografisch niet meer te garanderen zijn. Tegelijk verdringt het systeem private kapitaalopbouw en vergroot het de afhankelijkheid van politieke besluitvorming. Het Spaanse pensioenmodel is daarmee in essentie een AOW-achtig minimuminkomen zonder kapitaalbuffer eronder.

In een snel vergrijzende samenleving maakt dat het systeem uiterst kwetsbaar. Zonder structurele hervormingen betekent dit: hogere bijdragen, latere pensionering, een lagere reële uitkering en een grotere staatsschuld of meer inflatie als verborgen belasting. Het systeem stort niet plots in. Het verschuift de kosten geleidelijk naar de toekomst. Precies daarin schuilt het echte faillissement.

Leave a comment