De Problematiek van de Girale Geldschepping in 10 Stappen

Sinds de ‘kredietcrisis’ van 2007-2008 en de daaropvolgende recessie is er in Nederland een discussie opgelaaid over de geldschepping door het bankwezen. Aan de ene zijde zien we de stichting Ons Geld die (mijns inziens heel verdienstelijk) vele mensen bewust heeft gemaakt van die geldschepping. Niet alleen maakte Ons Geld mensen hierover bewust, het stelde die geldschepping door het (commerciële) bankwezen ook in een kwaad daglicht. Aan de andere zijde zien we dat het bankwezen zichzelf verdedigde. Met name professor Wim Boonstra (econoom in dienst van de Rabobank) was de afgelopen jaren de meeste luide stem die de geldschepping door het bankwezen verdedigde. Daarbij hebben diverse academici en andere geïnteresseerden zich in dit debat gemengd. Onder meer is er op deze website afgelopen jaar een stuk gepubliceerd door Leo Ambtman inzake de vraag of banken eigenlijke wel geld kunnen scheppen.

Vanuit de Oostenrijkse School kunnen we een licht werpen op dat debat door onder meer te rade te gaan bij het werk van Ludwig von Mises. Mises was binnen de Oostenrijkse School de eerste die zich uitgebreid met monetaire kwesties bezighield. Maar hij ontwikkelde geen geldleer die helemaal los stond van (in zijn tijd) reeds bestaand denken over geld. De geldleer van Mises kent zo belangrijke parallellen met de geldleer van Nikolaas Pierson, de meest bekende Nederlandse econoom van de 19e eeuw. De Oostenrijkse School staat met betrekking tot de geldleer dan ook niet los van andere stromingen. Mises baseerde zich bijvoorbeeld op de gedachten van de Engelse Currency School, een groep economen uit het midden van de 19e eeuw die een belangrijke invloed hebben uitgeoefend op de geldleer.

Wat ik hier wil doen is een leidraad geven door een aantal essentiële elementen van de meer ‘orthodoxe’ geldleer. Deze ‘orthodoxe’ geldleer vinden we bij de ‘Oostenrijkers’, maar ook bij Nederlandse economen (zie de literatuurlijst onderaan). Uiteindelijk wil ik op die manier een stelling nemen in het hierboven genoemde debat. Want wanneer we langs deze elementen gaan belanden we aan bij een belangrijk ‘theorema’ uit die geldleer, het zogenaamde Currency Principle dat een centraal element vormde in het denken van die bovengenoemde Currency School. Dat Currency Principle vinden we namelijk niet alleen terug bij Mises en de Oostenrijkse School, we vinden het bijvoorbeeld ook terug bij de Nederlandse monetair econoom Folkert de Roos (1920-2000), die helemaal niet als een ‘Oostenrijker’ bekend staat.

Geld in de engere zin

Als eerste een paar belangrijke definities: In de geldleer (oftewel ‘monetaire theorie’) onderscheiden economen van oudsher ‘geld in de engere zin’ en ‘geld in de ruimere zin’ (Pierson, 1905, 231; Mises, 1953). Vroeger (vóór dat de zilveren- en later de gouden standaard werd opgeheven) bestond het ‘geld in de engere zin’ uit de zilveren en gouden muntstukken die in de economie ‘circuleerden’. Het laatste goudgeld dat in Nederland circuleerde waren de ‘gouden tientjes’ in de vroege jaren ’30. Dit gouden ‘geld in de engere zin’ is bijna overal in die jaren ’30 vervangen door een ‘papieren standaard’ (ook wel ‘fiat geld’). Wat we tegenwoordig het ‘geld in de engere zin’ kunnen noemen zijn de Euromunten en Euro-papiergeldbriefjes. ‘Geld in de engere zin’ is vergelijkbaar met de term ‘contant geld’ in het dagelijks woordgebruik. Economen spreken soms ook over ‘chartaal geld’.

Maar wat is dan ‘geld in de bredere zin’? Hiervoor moeten we eerst begrijpen wat we bedoelen met een bank.

Banken als bewaarnemers

Banken zijn van oudsher bewaarnemers (ook wel ‘depositarissen’) van geld in de engere zin. Het in bewaring geven van contant geld bij een bank noemen we ook wel ‘een rekening openen’, omdat het bedrag van de in bewaring gegeven som geld wordt geadministreerd op de rekening (bankrekening) van de bewaargever. In het Engels wordt het storten van geld op een rekening een ‘deposit’ genoemd, wat weer verwant is aan het uit het Latijn afkomstige depositeren (bewaargeven).

Boekhoudkundig gezien wordt degene die een som geld op zijn rekening stort een crediteur van de bank. Wie een positief saldo heeft op zijn bankrekening heeft namelijk een creditsaldo (vanuit de bank gezien). Wie ‘rood’ staat op zijn bankrekening wordt een debiteur van de bank en heeft een debetsaldo.

Maar bij dit boekhoudkundig verhaal moet een belangrijke noot worden gezet: Juridisch (privaatrechtelijk) gezien was de bankrekeninghouder niet zozeer een ‘crediteur’, maar vooral een depositeur (een bewaargever). Hoe we boekhoudkundig de zaak ook bekijken, banken zijn onmiskenbaar de instituten die mensen willen gebruiken als een beveiligde plek voor hun contante geld. De bank heet als depositaris de (contractuele) verplichting het geld te beschermen tegen diefstal, verlies of brand (Huerta de Soto, 2011).

Giraal geld & giraal betalingsverkeer

Nu doen banken van oudsher wat meer dan louter geld in bewaring nemen. Precies doordat mensen hun contante geld op centrale plekken laten bewaren wordt eveneens het girale betalingsverkeer mogelijk. Rekeninghouder-bewaargever A geeft de bank de opdracht om een deel van zijn saldo over te boeken (te ‘gireren’) naar rekeninghouder-bewaargever B. Dit overboeken (of gireren) vormt dus een alternatieve manier van betalen, van het afronden van transacties. De rekeninghouder-bewaargever A had immers ook rekeninghouder-bewaargever B in contanten kunnen betalen. Aangezien een banksaldo echter als een claim op contant geld fungeert, wordt als alternatief voor het betalen in contanten een claim op contanten overgedragen. Het banksaldo is dus een geldsurrogaat, aangezien je het op andermans rekening kan laten overboeken en dus nog steeds zoals contanten kunt gebruiken. Sinds iets meer dan een eeuw noemen economen een banksaldo daarom ook giraal geld (Frijda, 1914; Verrijn Stuart, 1932, 34). Nu is dat banksaldo of ‘giraal geld’ natuurlijk niet het contante geld zelf, wat we traditioneel het échte ‘geld’ noemen. We gebruiken dit giraal geld echter zoals contant geld. Precies omdat giraal geld een claim op contant geld is, zullen verkopers het over het algemeen ook accepteren als betaalmiddel.

De Begripsverwarring

Omdat giraal geld voor het publiek vrijwel dezelfde functie heeft als contant geld, gaat men een banksaldo dus kortweg ‘geld’ noemen. Hierdoor treed verwarring op. We noemen zowel het banksaldo als het contante geld kortweg ‘geld’. Als we een serieuze (‘wetenschappelijke’) discussie willen hebben over geld en bankieren, dan moeten we preciezer zijn dan dit alledaagse taalgebruik. We moeten een onderscheid blijven maken tussen banksaldi (giraal geld, of ‘geld in de bredere zin’) en contant geld (‘geld in de engere zin’). De verwarring is het grootst bij het door mekaar halen van de termen ‘bankbiljet’ en ‘papiergeld’. Een bankbiljet is van oudsher een bewijs dat je geld in de engere zin (zoals een gouden tientje) bij een bank in bewaring had gegeven. Door het bankbiljet bij de toonbank van de bankinstelling aan te bieden kon je dat bankbiljet weer terug wisselen voor ‘geld in de engere zin’. Een bankbiljet van 10 gulden gaf bijvoorbeeld recht op een gouden muntstuk van 10 gulden. Het gouden muntstuk was het échte geld, het geld in engere zin. Het bankbiljet was het geldsurrogaat, het geld in de bredere zin. Tegenwoordige gebruiken we in ons dagelijks taalgebruik de term ‘bankbiljet’ nog vaak voor het papiergeld dat we elke dag gebruiken, maar deze ‘bankbiljetten’ zijn totaal niet vergelijkbaar met de ‘bankbiljetten’ van een eeuw geleden die konden worden omgewisseld in goudgeld.

Het probleem met vele artikelen en boeken over monetaire aangelegenheden is dat dit basale onderscheid niet of slecht gemaakt wordt. De conclusies worden dan compleet afhankelijk van de betekenis van termen die niet zijn uitgelegd (bijvoorbeeld het artikel van Leo Ambtman).

Girale geldschepping (‘Fractioneel Reserve Bankieren’)

Precies omdat giraal geld zoals contant geld functioneert, daalt voor bankrekeninghouders de noodzaak telkens een gedeelte van hun banksaldo om te zetten in contant geld. De meeste huishoudens en bedrijven doen slechts een gedeelte van hun maandelijkse transacties in contanten. Sommigen doen al helemaal geen transacties meer in contanten.

Banken weten van oudsher gebruik te maken van het feit dat de noodzaak contant geld te gebruiken daalt doordat het giraal geldverkeer een alternatief vormt. Banken kunnen meer giraal geld maken dan dat er aan contant geld tegenover staat. Er is dan een overschot van giraal geld ten opzichte van contant geld. Een gedeelte van het giraal geld is dan niet ‘gedekt’ in contant geld.

Hoe ontstaat dit overschot aan giraal geld t.o.v. contant geld? Meestal komt dat doordat banken giraal geld uitlenen dat voorheen niet bestond. De bank verhoogt simpelweg enerzijds het banksaldo van een kredietnemer. Met dat verhoogde banksaldo wordt iets gefinancierd. Aan de andere kant wordt de kredietnemer in de boekhouding van de bank opgenomen als debiteur, als een schuldenaar. De lening moet immers worden terugbetaald, met daar bovenop een rente. Middels het aanmaken van giraal geld en het tegelijkertijd verstrekken van dit giraal geld als lening genereert de bank dus rente-inkomsten. Het overschot van giraal geld t.o.v. contant geld hoeft overigens niet per se tot stand te komen middels kredietverstrekking door de bank. Een bank kan ook giraal geld maken om bijvoorbeeld het salaris van haar personeel te betalen.

Hoe moeten we dit fenomeen – het overschot van giraal geld t.o.v. van contant geld – noemen? In de economische wetenschap wordt dit fenomeen met verschillende termen aangegeven. In de Engelse literatuur is de laatste decennia de term fractional reserve banking (‘fractioneel reserve bankieren’) vaak gebruikt. Die term komt voort uit het feit dat de hoeveelheid contant geld in de kluis van een bank – de ‘reserve’ – niet voldoende is om al het giraal geld te ‘dekken’. Dit zou een probleem voor de bank kunnen zijn indien heel veel rekeninghouders tegelijkertijd hun banksaldi willen omzetten naar contant geld (bij een bankrun). Omdat een gedeelte van het giraal geld niet ‘gedekt’ is in contant geld kan de bank dan niet aan zijn verplichting voldoen om de rekeninghouders uit te betalen. De bankrun is dus de achilleshiel van het business model dat we ‘fractioneel reserve bankieren’ noemen. Dat maakt vrijwel elk leerboek hierover duidelijk.

Naast ‘fractioneel reserve bankieren’ wordt dit fenomeen daarom ook gewoon ‘geldschepping’ genoemd of ‘geldschepping uit het niets’ (Verrijn Stuart, 1932, 5). Het girale geld dat niet gedekt is door contant geld wordt ook wel ‘fiduciair geld’ genoemd of ‘ongedekt geld’. De bank heeft namelijk een claim op geld gecreëerd (geld in de engere zin), terwijl dat geld (in de engere zin) er zelf helemaal niet is.

In Nederland wordt daarbij de term ‘wederzijdse schuldaanvaarding’ gebruikt omdat de bank enerzijds het saldo van de krediet-nemende rekeninghouder verhoogt (de bank aanvaardt meer schuld ten opzichte van de rekeninghouder). Anderzijds aanvaardt de krediet-nemende rekeninghouder dat hij tegelijkertijd een schuld heeft bij de bank, een schuld die hij meestal in termijnen moet terugbetalen. Hier keert het probleem van de term ‘wederzijdse schuldaanvaarding’ terug: Het gaat namelijk om twee hele verschillende vormen van schuld. Het banksaldo is een direct opeisbare schuld, want de rekeninghouder heeft het recht zijn banksaldo meteen in contanten te laten omzetten. Het ‘krediet’ dat is afgesloten is een schuld die in termijnen moet worden terugbetaald aan de bank. Een equivalent van de term ‘wederzijdse schuldaanvaarding’ komt in de hedendaagse Engelstalige economische literatuur overigens ook niet voor.

Ik vind zelf girale geldschepping de meest precieze term. Het fenomeen wat we moeten benoemen (en bespreken) is immers dat er meer giraal geld is dan contant geld, en dat (commerciële) banken dit verschil veroorzaken. Het gaat echter niet om ‘geldschepping’ wanneer we geld zien in de engere betekenis van het woord ‘geld’, dus is het wel zo duidelijk om het ‘girale geldschepping’ te noemen. De geldschepping van het geld in de engere zin komt wel degelijk voor, maar dit is wat normaliter vanuit centrale banken (meestal overheidsinstellingen) plaatsvindt. 

De Kwestie van de Girale Geldscheppingswinst

Nu wil ik richting de hamvraag gaan. In de markteconomie geldt over het algemeen de regel ‘quid pro quo’, ‘prestatie-tegenprestatie’; ‘voor wat hoort wat’. De mensen die spreken over ‘geldschepping uit het niets’ lijken er vaak mee te bedoelen dat banken aan de rest van de participanten in de economie geen enkele tegenprestatie levert voor de rente-inkomsten die middels de girale geldschepping worden verkregen. Met andere woorden, hun stelling zou zijn dat girale geldschepping onoorbaar is in de zin dat er inkomsten worden gegenereerd zonder dat er een tegenprestatie wordt geleverd. De hamvraag is dus of een bank zichzelf verrijkt door girale geldschepping, zonder hiermee een ander van dienst te zijn. Kan een bank ‘gratis geld’ voor zichzelf maken en zich daarmee verrijken ten koste van anderen?

Volgens een aantal deskundigen die zich in dit debat gemengd hebben is dit niet het geval. Bijvoorbeeld Ewoud Jansen. Hij stelt:

“Geldschepping is een proces van wederzijdse schuldaanvaarding. Bij de bank nemen zowel bezittingen als schulden toe. Anders dan bij een valsemunter die met een zelfgemaakt eurobiljet een dure auto kan kopen, is er voor de bank winst noch verlies. Bij de klant gebeurt hetzelfde — maar dan omgekeerd. Het couranttegoed op zijn rekening is een vordering op de bank. Deze vordering kan hij gebruiken om te betalen voor datgene waarvoor de lening was aangevraagd. Net zoals wij allemaal onze banktegoeden als dagelijks betaalmiddel gebruiken — als geld dus. Daarom is een bank een geldscheppende instelling. Maar een bank kan dus geen gratis geld voor zichzelf maken.”

(op de website Follow the Money)

Ook professor Boonstra gebruikt de term ‘wederzijdse schuldaanvaarding’ om te beargumenteren dat banken geen ‘geldscheppingswinst’ verkrijgen:

“Ook algemene banken kunnen giraal geld creëren. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen via het verstrekken van krediet aan hun klanten. Het hierbij door hen gecreëerde geld is echter niet van de banken zelf, maar van hun klanten. Het verschijnt namelijk op de bankrekening van hun klanten, dus als een verplichting op de passiefzijde van hun balans. Dit is een belangrijk verschil met geldschepping door de overheid of centrale bank, waar nog wel eens aan voorbij wordt gegaan. Aan de actiefzijde van de bankbalans verschijnt het verstrekte krediet. Dit proces wordt wel aangeduid als wederzijdse schuldaanvaarding. Geldscheppende algemene banken incasseren in dit geval dus geen geldscheppingswinst in de gebruikelijke zin van het woord, omdat het door hen gecreëerde geld niet aan henzelf, maar aan hun klanten toebehoort. Aan de actiefzijde staat tegenover het nieuw gecreëerde geld het door de bank verstrekte krediet.

De klanten van de bank die een krediet hebben afgesloten, brengen het door de banken gecreëerde geld in omloop door het uit te geven. Maar ook zij incasseren geen geldscheppingswinst, omdat tegenover hun nieuw verkregen girale geld een verplichting aan de bank staat. Zij moeten die schuld uiteindelijk weer aflossen. Dit neemt niet weg dat kredietverlening voor algemene banken wel degelijk een winstgevende aangelegenheid kan zijn. Merk op dat vanuit de bank vooral wordt gekeken naar het proces van kredietverlening. De geldschepping die daarbij plaatsvindt, is een neveneffect.” (Boonstra, Hoe werkt geldschepping? noten en referenties weggelaten,

https://economie.rabobank.com/publicaties/2015/mei/hoe-werkt-geldschepping/)

Het probleem van de term ‘wederzijdse schuldaanvaarding’ is dat het om twee hele verschillende vormen van schuld gaat. Wanneer de bank het saldo van een kredietnemer verhoogt (d.w.z. wanneer er girale geldschepping plaatsvindt) dan komt de bank als verschaffer van het vreemd vermogen op de balans van de kredietnemer te staan. De bank heeft vreemd vermogen gecreëerd en de kredietnemer moet met regelmaat aflossing en rente gaan betalen aan die bank die dus verschaffer van dat vreemde vermogen is. Aan de kant van de ‘klant van de bank’ ontstaat er dus de traditionele schuldvorm die in termijnen moet worden afgelost en waar rente over moet worden betaald. De rente is hierbij het rendement op het vreemd vermogen dat is gecreëerd.

Nu zegt Jansen als aanhanger van de term ‘wederzijdse schuldaanvaarding’ dat het gecreëerde geld waarmee de banken dit rendement binnenhalen niet ‘gratis’ is. Boonstra stelt dat er daarom geen sprake is van ‘geldscheppingswinst’. De bank heeft immers niet alleen een ‘bezit’ gekregen op haar balans, aan de kant van de bank is ook een ‘schuld’ ontstaan op de balans.

Deze schuld is er echter niet één die in termijnen moet worden afbetaald. Het banksaldo dat bij de bank op de schuldzijde van de balans staat is een direct opeisbare schuld. Maar een groot gedeelte van de totale direct opeisbare schuld die de bank op haar balans heeft staan is een schuld die nooit betaald wordt, omdat deze zelden wordt opgeëist. Fiduciair- of ongedekt giraal geld kán alleen maar bestaan doordat een groot deel van de direct opeisbare schuld niet betaald hoeft te worden, precies omdat het niet wordt opgeëist. Gratis is waarvoor je niet betaalt. Fiduciair geld is dus gratis voor de schepper ervan, zolang het niet wordt opgeëist, zolang er geen bankrun is.

Eén van de twee schuldvormen, bij de ‘wederzijdse schuldaanvaarding’, is in de dagelijkse praktijk dus gratis. De marginale kosten van het giraal geldscheppen zijn praktisch nihil. Een bank incasseert dus wel degelijk een ‘geldscheppingswinst’ door het maken van giraal geld dat fiduciair is of ongedekt. De term ‘wederzijdse schuldaanvaarding’ is een rookgordijn over het feit dat girale geldschepping uit de aard van de zaak het fenomeen is van het niet-betalen van direct opeisbare tegoeden.

Een bank kan dus gratis geld voor zichzelf maken; girale geldschepping impliceert geldscheppingswinst. Maar kan de bank zichzelf daarmee ook verrijken ten koste van anderen? Diegenen die dit zullen ontkennen zullen altijd wijzen naar hetgeen met het gecreëerde geld gedaan wordt door de kredietnemers. Bijna alle bedrijven kopen en huren productiemiddelen voor een groot gedeelte met van de bank geleend geld dat via girale geldschepping tot stand komt. Daarnaast heeft een aanzienlijk deel van de bevolking hypothecaire leningen om hun woningen te financieren. De conclusie lijkt voor de hand te liggen: als banken geen krediet meer verschaffen, al dan niet uit het niets geschept, dan kunnen al deze bedrijven zich die productiemiddelen niet meer zo gemakkelijk veroorloven. Dan zullen ook heel veel mensen geen woning meer kunnen betalen. De productie zakt dan in zonder krediet! Mensen zullen op straat leven zonder hypothecaire leningen! Als je het zo bekijkt is geldschepping een win-win situatie. Banken trekken geldscheppingswinst, de klanten van banken krijgen de mogelijkheid bedrijfsmiddelen te kopen en te huren, of in een huis te wonen. Dat had anders niet gekund!

Deze conclusie kun je echter niet trekken. Wat alle voorstanders van giraal geldscheppende kredietverlening doen is wijzen op slechts één kant van de zaak: dat je met het geleende geld goederen kunt kopen die je anders niet had kunnen kopen. Maar dat feit dat we nu geen huis kunnen betalen zonder hypothecaire lening van de bank kun je niet los zien van het daarmee samenhangende feit dat de girale geldschepping die huizen ook duurder maakt. Het feit dat het meestal niet te doen is een bedrijf te bezitten waarbij niet een deel van de duurzame productiemiddelen of het werkkapitaal gefinancierd is door de bank, zegt niet dat in afwezigheid van geldscheppende banken dit ook niet mogelijk zou zijn.

Het Currency-Principle: Girale geldschepping betekent vraag-creatie naar nog meer geldschepping.

Het belangrijkste wat men moet begrijpen over kredietverlening via girale geldschepping is dat het de vraag naar nog meer girale geldschepping aanwakkert. Door girale geldschepping gaan prijzen stijgen. Door die gestegen prijzen zullen zowel ondernemers als particulieren hogere bedragen willen lenen bij bankiers. Dat (girale) geldschepping zijn eigen vraag schept is een economische wetmatigheid die in de economische wetenschap bekend staat als het Currency Principle of de Currency Doctrine. Dit theorema kan men reeds vinden bij dat teruggaat op de 19e-eeuwse econoom en bankier Thomas Joplin (zie o.a Mirandolle, 1864, Viner [1937] 2016).

De gedachte is als volgt: Wie steeds meer appels, schoenen of auto’s produceert doet het aanbod daarvan toenemen en daarmee daalt, al het andere gelijk, de prijs van die goederen. Wie giraal geld produceert drijft echter de prijzen van allerlei goederen omhoog, waaronder ook de over het algemene duurdere duurzame goederen zoals auto’s, woningen en kapitaalgoederen (machines). De gestegen prijzen van die duurzame goederen drijft mensen naar de banken toe om leningen te nemen om die duurzame goederen te kunnen financieren. De productie van giraal geld schept zijn eigen vraag.  

De werking van het Currency Principle zie je het best op de huizenmarkt. Mensen wenden zich tot de banken voor het aanvragen van hypothecaire leningen om een woning te kunnen financieren. De banken creëren giraal geld om aan deze kredietvraag te voldoen. Door de creatie van giraal geld (dat via de huizenmarkt de economie binnen vloeit) gaan de prijzen van huizen (verder) stijgen. Niet alleen huizenprijzen stijgen, het geld sijpelt de economie verder door en verhoogt ook de prijzen van keukens, badkamers, auto’s. Het verhoogt verder ook lonen en winsten. Doordat de huizenprijzen stijgen wordt het onderpand dat mensen gebruiken bij het aanvragen van hypothecaire leningen ook meer waard. Dit vormt een basis voor banken, samen met de gestegen lonen, om nog meer giraal geld te creëren.

Wat we zien is dat huizen heel duur zijn t.o.v. van de gemiddelde vermogens en inkomens. Moet men zich daarom wel tot een giraal-geldscheppende instelling wenden om een woning te kunnen financieren. Er is niet genoeg particulier krediet of vermogen bij partijen anders dan banken beschikbaar om huizen te financieren. Daarom lijkt het erop alsof de bank een dienst verleent door het verlenen van financiering voor een huis. Echter heeft de bank in eerste instantie een anti-dienst verleend. Door de girale geldschepping heeft de bank al die huizen een stuk duurder gemaakt dan die huizen zouden zijn zonder die geldschepping.

Een huis kan nooit zo snel gebouwd worden als dat een bank giraal geld kan scheppen. Dat laatste gebeurt immers met een druk op de knop. Er kunnen dus een heleboel huizen worden bijgebouwd, maar als de geldschepping eenzelfde of een grotere vaart houdt, dan gaat de gemiddelde huizenprijs nooit omlaag. De Nederlandsche Bank bracht afgelopen zomer een bericht uit waarvan de titel luidde: “Huizenprijs hangt meer samen met financieringsruimte koper dan met woningtekort”. Het woord ‘financieringsruimte’ kan gerust als een eufemisme van ‘geldschepping’ worden gezien. Hoe meer financieringsruimte (lees: girale geldschepping), hoe hoger de huizenprijs.

We kunnen girale geldschepping vergelijken met een tolketting die vroeger door tolheffers over een rivier werd gespannen. Een schipper die voorbij die ketting wilde varen moest de tolheffer een tol betalen, de ketting liet de tolheffer dan zakken zodat de schipper door kon varen. Is dit een win-win situatie? Verleent de tolheffer aan de schipper een dienst door zijn ketting te laten zakken? In zekere zin wel. Maar het is alleen een dienst doordat er eerst een anti-dienst is bewezen. De tolheffer heeft de vraag naar het laten zakken van de ketting op malafide wijze gecreëerd door eerst de ketting over de rivier te spannen.

Alle girale geldschepping bij elkaar leidt tot een enorme rentelast, waarmee vele werknemers in de financiële sector worden betaald. De financiële sector in Nederland is veel te groot. Er gaat in Nederland allerlei arbeidskracht verloren aan de ‘financiële dienstverlening’ (lees: de geldschepping en het beheer van schuld aan banken), terwijl die arbeidskracht veel beter in de ‘reële economie’ gebruikt kan worden.

Het Currency Principle en de rol van de Centrale Bank

De Nederlandse econoom Folkert de Roos (1920-2000) beschreef het mechanisme van het Currency Principle in zijn proefschrift dat hij later omwerkte tot een veelgebruikt monetair leerboek:

“de kredietverlening door algemene banken leidt tot […] een toeneming van de omzetten, en bij volledige werkgelegenheid tot een tot een prijsstijging. Hierdoor stijgt echter de waarde der aan de banken verstrekte of te verstrekken onderpanden, zodat door de enkele credietverlening de basis voor uitbreiding dezer credietverlening, alsmede voor de vraag naar bankkredieten met het oog op de te maken winsten wordt gelet, waardoor dus de kredietverstrekking door banken voortdurend kan toenemen. De begrenzing der bankkredieten tot ‘self liquidating loans’ blijkt dus geen limiet op te leveren, daar zij door de activiteit der banken zelf steeds verder teruggeschoven wordt.” (1968, 143) 

Wat De Roos concludeerde is dat, omdat girale geldschepping tot meer vraag naar girale geldschepping leidt, er een probleem van een alsmaar voortdurende en stijgende prijsinflatie ontstaat. Banken stimuleren immers zichzelf en elkaar, door het scheppen van giraal geld en het daarmee omhoog duwen van de prijzen, tot het verschaffen van hogere leningen. Ook in de bankiershandboeken, zoals Bankpolitiek (1931, 15-16) van W.C. Posthumus Meyjes, wordt dit beschreven.

Nu wist men uit de ervaringen van de 19e eeuw dat commerciële- en financiële crises vaak volgden op een prijsstijging – een hausse des prix –  in het handelsverkeer. In dergelijke crises gingen vaak ook bankiers ten onder in runs op hun banken, iets dat de bankiers uiteraard als een onaangenaam bedrijfsrisico beschouwden. De economen van de Currency School, met name de Britse bankier Samual Jones (ook bekend als Lord Overstone), vermoedde dat een hausse op de één of andere manier niet alleen de crises voorafging, maar ook daadwerkelijk die crises veroorzaakte.  

De vraag voor bankiers is dan deze: Wat moeten bankiers doen, of wat hebben bankiers nodig, om enerzijds de vruchten van hun girale geldschepping te plukken, maar anderzijds het risico te ontlopen ten onder te gaan in bankruns? Hoe kunnen zij de lucratieve elementen van het business model van fractioneel reserve bankieren uitbuiten, maar tegelijkertijd iets doen aan zijn achilleshiel (de bankrun)?

Ten eerste moeten de hausse des prix (de prijsinflatie of hoogconjunctuur) die ontstaat door de girale geldschepping, niet al te hard gaan. De eventuele crisis die op de hausse volgt zal dan minder heftig zijn. De bankiers moeten dus gezamenlijk, al dan niet onder leiding van een ‘centrale’ bank, die hausse beteugelen. Dit eerste punt komt duidelijk naar voren in handboeken voor commercieel- en centraal bankieren (Posthumes Meijes, 1931; Hawtry, 1932). Ten tweede moet er een soort vangnet zijn voor het geval één of meerdere banken, al dan niet als gevolg van een crisis, ten onder dreigt te gaan door een bankrun.    

Centrale banken doen precies deze twee dingen. Wat betreft het eerste, De Roos & Renooij beschrijven in hun leerboek De Algemene Banken in Nederland het volgende:

“Op grond van [een] ‘gentlemen’s agreement’ verplichten de banken zich, een bepaald percentage van de hun toevertrouwde gelden (exclusief spaardepositio’s) in de vorm van een renteloos tegoed aan te houden bij De Nederlandse Bank. Dit percentage, dat van 0 tot 15 kan variëren, wordt maandelijks door de centrale bank vastgesteld. Een regeling die men pleegt aan te duiden als een ‘Systeem van wisselende verplichte kaspercentages’…” (1976, 180)

Vaak wordt de centrale bank voorgeschoteld (‘geframed’) als een top-down toezichtorganisatie, als een instelling van de ‘algemeen belang’-nastrevende overheid die de winst-najagende commerciële bankiers streng in de gaten houdt. Zonder regulering en het toezicht van die centrale bank zouden de op winst beluste banken de economie rap te gronde richten. Deze voorstelling is echter zowel theoretisch niet plausibel als historisch onjuist. Om met dat laatste te beginnen. De lieden die de touwtjes in handen hadden bij de centrale bank waren doorgaans afkomstig uit de commerciële bankwereld. In de 19e eeuw waren de bekendste president-directeuren van de Nederlandsche Bank, Willem Mees en Nikolaas Pierson, duidelijk afkomstig uit een milieu van bankiers. Een dochterbedrijf van de ABN Amro bank (ABN AMRO MeesPierson om precies te zijn) draagt nog steeds de naam van de bankiersfamilies Mees en Pierson. De Nederlandsche Bank was zelfs tot 1948 een vennootschap waarvan niet alle aandelen in handen waren van de overheid, maar gewoon verhandeld werden. Pas in 1948 heeft de overheid alle aandelen van De Nederlandsche Bank opgekocht.

Theoretisch rammelt het beeld van een centrale bank als ‘toezichthouder’ ook, want degenen die het zo voorstellen maken nooit duidelijk in welk opzicht de regulering van het bankwezen en het ‘toezicht’ van de centrale bank eigenlijk verschilt van een door de overheid beschermt kartel. In een kartel maken de kartelleden met elkaar de afspraak om de productie te beperken, om hier voordeel uit te trekken. Nu is dit precies wat er gebeurt wanneer banken via een ‘gentlemen’s agreement’ afspreken om de krediet- dan wel geldschepping te beteugelen. Het is in het eigenbelang van die banken om dat te doen. Tevens werpt de zware regulering van de financiële sector een grote toegangsbarrière op voor buitenstaanders die ook de vruchten willen plukken van het fractioneel reserve bankieren. Het geldscheppen wordt middels die regulering een privilege van een select groepje bestaande banken.

Naast een ‘gentlemen’s agreement’ die de krediet- en geldschepping van de banken reguleert, hebben banken ook een vangnet nodig als het toch dreigt mis te gaan. De Britse bankier Walter Bagehot staat vaak bekend als degene die als eerste pleitte voor de centrale bank als lender of last resort – een instelling die de commerciële bankiers een laatste toevlucht kan bieden voor steun indien hun banken worden getroffen door runs van hun clientèle. De centrale bank verschaft die bankiers dan zoveel kasvoorraden als ze nodig hebben om het vertrouwen bij het publiek terug te winnen. Sinds het idee heeft postgevat dat een lender of last resort noodzakelijk is, kan een bank van enigszins significante omvang al haast niet meer failliet, omdat alles uit de kast wordt gehaald om banken die dreigen om te vallen te redden. Deze ‘beleidsfilosofie’ heeft reeds enorm veel schade aangericht.

Girale Geldschepping en de Vrije Markt

Het bancaire systeem zoals we het nu kennen heeft niets met vrije marktwerking te maken. We kunnen het commerciële bankwezen het beste zien als een door de staat beschermd kartel, waarbij de centrale bank fungeert als een centraal steunpunt van de kartelleden.

Girale geldschepping kan niet overleven zonder overheidssteun, waaronder we een centrale bank als lender of last resort kunnen rekenen, maar ook het daaraan verbonden depositograntiestelsel. Girale geldschepping is uit zijn aard ook frauduleus: Wie geld op een rekening-courant stort wil het ook weer kunnen opnemen in contanten. Dat is ook waar een bank zich feitelijk toe verplicht. De bank kan deze verplichting echter niet nakomen wanneer er aan girale geldschepping gedaan wordt. Een depositogarantiestelsel zou ook totaal overbodig zijn als het privaatrecht functioneerde zoals het moet functioneren in het geval van bewaarnemingen: De bewaarnemer moet verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor de fraude die hij begaat als hij hetgeen dat hij bewaart niet kan teruggeven aan de rechtmatige eigenaar. De frauduleuze aard en juridische problematiek omtrent het fractioneel reserve bankieren is uitgebreid beschreven door J. Huerta de Soto in zijn Geld, krediet en crisis (2011) en door Guido Hülsmann (The Ethics of Money Production).

Philip Ruijs is promovendus in de economische wetenschappen aan de Université d’Angers in Frankrijk

Literatuur

Boonstra. W. Geld: Wat is het, wat doet het en waar komt het vandaan? VU University Press, 2018

Frijda, Herman. De Theorie van het geld en het nederlandsche geldwezen. De erven F. Bohn, 1914.

Hawtrey, R.G. The art of central banking. 1932

Huerta de Soto, J. Geld, krediet en crisis, Acco, 2011

Hülsmann, Jörg Guido. Ethics of Money Production. Ludwig von Mises Institute, 2008.

Mirandolle, R.N.L. “De nieuwe regeling van het bankwezen in Nederland, in verband met de Currency-theory en het Banking-principle beschouwd”. De Economist 13, 101–132 (1864). https://doi.org/10.1007/BF02127906

Mises, Ludwig von. The Theory of Money and Credit, vertaling door H.E. Batson. The Foundation of Economic Education, [1912] 1953.

Pierson, N.G. Grondbeginselen der staathuishoudkunde. Erven F. Bohm, 1875. https://www.delpher.nl/nl/boeken/view?identifier=MMSFUBA02:000010470:00012

Roos, F. de De Algemene Banken in Nederland, Stenfort Kroese, 1968

Roos, F. de & D.C. Renooij, De Algemene Banken in Nederland, Stenfort Kroese, 1976

Verrijn Stuart, G.M. Geld en Crediet, G.Delwel, 1932

Viner, Jacob. Studies in the theory of international trade. Routledge, [1937] 2016.


De foto is gemaakt door: Ondrej Kloucek en word gebruikt onder deze licentie

04 comments on “De Problematiek van de Girale Geldschepping in 10 Stappen

  • Plato , Direct link to comment

    Het begin van het artikel is hoopgevend totdat de volgende zin verschijnt: “Een bank kan dus gratis geld voor zichzelf maken”. Juist dit heb ik in mijn verhaal over fractioneel bankieren weerlegd. Ik heb thans geen argument gevonden waarmee aangetoond wordt dat ik een fout maak ik mijn onderbouwing. Vervolgens komt het Currency Principle aan ter sprake. Iets waar ik nog nooit van gehoord heb, maar dat zegt natuurlijk niks. Het komt er zo’n beetje op neer dat er geen limiet aan de kredietverlening bestaat omdat het onderpand steeds in waarde toeneemt. Stel dat er veel huizenbezitters zijn en de waarde van hun woningen stijgt flink, dan is er voor de banken nog steeds de zelfde ruimte tot kredietverlening en wel zoveel als er door derden bij de bank geld in bewaring is gegeven. De creditzijde van de bankbalans is nog steeds het zelfde, dus kan de debetzijde niet omhoog. De schrijver van het artikel maakt de zelfde fout als zo veel anderen. Namelijk dat de banken hun eigen funding kunnen scheppen. Die funding moet echter van derden komen. Het wel zo dat als er door de hoge huizenprijzen extra huizen gebouwd worden en als de bouwers van die huizen hun verdiensten bij de banken parkeren de funding van de banken stijgt. Als er evenwel genoeg huizen gebouwd zijn, zal de prijs van de huizen weer naar de kostprijs tenderen. De gestegen kredietverlening stokt. De volgende zin doet voor komen alsof er een spiraal van stijgende prijzen is: “Banken stimuleren immers zichzelf en elkaar, door het scheppen van giraal geld en het daarmee omhoog duwen van de prijzen, tot het verschaffen van hogere leningen”. Dit is niet het geval, want zodra er voldoende geproduceerd wordt is het afgelopen met de stijgende prijzen. De zinnen: “Een huis kan nooit zo snel gebouwd worden als dat een bank giraal geld kan scheppen. Dat laatste gebeurt immers met een druk op de knop. Er kunnen dus een heleboel huizen worden bijgebouwd, maar als de geldschepping eenzelfde of een grotere vaart houdt, dan gaat de gemiddelde huizenprijs nooit omlaag” is onjuist. Bij voldoende huizenbouw gaat de prijs wel degelijk omlaag.

    • Philip Ruijs , Direct link to comment

      Bij deze wil ik (als auteur van het bovenstaand artikel) reageren op het commentaar van de heer Ambtman, almede zijn artikel dat eerder dit jaar op deze website is gepubliceerd.

      Giraal geld en contant geld:

      Het kernprobleem bij de heer Ambtman is zijn weigering giraal geld van contant geld te onderscheiden. Dit hangt weer samen met het feit dat hij niet ziet – of simpelweg niet wil zien – dat commerciële banken in krediettransacties giraal geld scheppen door zowel de credit- als debetzijde tegelijk te verhogen. Hij stelt: “Stel dat er veel huizenbezitters zijn en de waarde van hun woningen stijgt flink, dan is er voor de banken nog steeds de zelfde ruimte tot kredietverlening en wel zoveel als er door derden bij de bank geld in bewaring is gegeven. De creditzijde van de bankbalans is nog steeds het zelfde, dus kan de debetzijde niet omhoog.” Dit is simpelweg niet waar. Banken kunnen tegelijkertijd credit- en debetzijde verhogen zonder dat derden contanten in bewaring geven bij de bank (‘storten’). Giraal geld scheppen (of ‘krediet scheppen’) is het tegelijkertijd uitvoeren van een credit- en een debetboeking. Enerzijds wordt het saldo van de rekening-courant van de kredietnemer verhoogt. Anderzijds wordt hij opgenomen als debiteur die zijn lening moet terugbetalen.

      Het enige dat de bank nodig heeft is een tegenpartij die geld wil lenen. Echter is het ook zo dat banken door hun girale geldschepping de prijzen opdrijven. Banken helpen maken dus de behoefte aan geld groter. Door prijsstijgingen gaat de waarde van onderpanden tevens ook omhoog. Ik kom hier verderop op terug.

      Naar mijn mening zou de heer Ambtman ten eerste een commentaar te geven op het onderscheid tussen ‘geld in de engere zin’ en ‘geld in de bredere zin’. Is hij het met dit onderscheid eens of niet? En als hij het niet er mee eens is, hoe moeten we dan een onderscheid maken tussen een saldo (giraal geld) en contant geld? De heer Ambtman gebruikt in zijn artikel “GELDSCHEPPING EN FRACTIONEEL BANKIEREN” slechts één keer het woord “giraal”. Nergens gaat hij in op de vraag of het wel of niet mogelijk is dat er meer giraal geld is dan contant geld. En als hij erkend dat er meer giraal geld dan contant geld is: hoe komt het eigenlijk dat er meer giraal geld bestaat dan contant geld? Dit zijn hele basale vragen. Het zou ook interessant zijn als de heer Ambtman zijn commentaar kan geven op de termen ‘dekking’ en ‘fractioneel reserve bankieren’? Zijn dit onzin-begrippen (en waarom dan?) of zijn dit adequate concepten?

      Funding:

      Met funding worden verschillende bronnen bedoeld waarmee een bank haar giraal geldscheppende-activiteiten mogelijk maakt. Om giraal geld te scheppen is een hoeveelheid contant geld in de kluizen van de bank nodig. ‘Funding’ is niets anders dan een woord waarmee we de bronnen van dat contante geld aanduiden. De funding van banken kan zowel bestaan uit eigen- en vreemd vermogen, als uit in bewaring gegeven contant geld (d.w.z. geld in de engere zin). Het probleem van fractioneel reserve bankieren is precies dat contant geld dat in bewaring wordt gegeven op de balans wordt gezet. Dat zou helemaal niet moeten. Vergelijk het met je auto in bewaring geven bij een bedrijf dat de service van bewaakt parkeren aanbiedt. Het feit dat je daar je auto (en eventueel je autosleutels) afgeeft betekent niet dat dit bedrijf de dagwaarde van je auto in de financiële boekhouding opneemt. Die auto heb je in bewaring gegeven en niet als vermogen verschaft aan de bank.

      Die funding is inderdaad iets wat van buiten de bank komt. Als een bank een lening aan zichzelf verstrekt – iets wat nogal zinloos is – dan kunnen we die lening van de bank aan de bank zelf niet als ‘funding’ beschouwen. Er komt bij een dergelijke lening immers geen contant geld bij in de kluis van de bank. De bank zou bij een lening aan zichzelf in giraal geld alleen een claim aan zichzelf creëren op iets wat al in de kluis ligt. De heer Ambtman heeft dan ook gelijk als hij stelt dat banken niet hun ‘eigen funding’ kunnen creëren. Funding komt immers van buitenaf. Banken kunnen inderdaad geen contant geld (‘geld in de enger zin’) scheppen. Centrale banken kunnen wel contant geld (laten) bijdrukken en dus kunnen centrale banken wel hun ‘eigen funding’ creëren.

      Het is echter in het geheel niet de bedoeling van mijn artikel om aan te tonen (dan wel te weerleggen) dat commerciële banken hun eigen funding kunnen creëren. Nergens stel ik dat. Ik heb niet eens de term ‘funding’ gebruikt.

      Het eerste punt van mijn artikel is om een onderscheid te maken tussen twee zinnen waarop wij in het dagelijks taalgebruik met de term ‘geld’ omgaan. Met ‘geld in de engere zin’ enerzijds en met ‘geld in de bredere zin’ anderzijds. Dit gebruik bestaat in de geldleer wel degelijk. Soms wordt die definitie van geld zelfs verder uitgebreid naar meerdere begrippen van geld die (ietwat technisch) ‘M0’, ‘M1’ en ‘M2’ genoemd worden.
      Het tweede punt van mijn artikel is om aan te tonen dat commerciële banken op basis van de belangrijkste bron van ‘funding’ – namelijk stortingen van contant geld – meer giraal geld kunnen creëren. Nogmaals, ‘funding’ is niets anders dan contant geld in de kluis van de bank zelf of claims op contant geld in de kluis van een andere bank.
      Boekhoudkundig houdt het scheppen van giraal geld niet meer in dan het uitvoeren van twee handelingen. Een eerste die de creditzijde verhoogd, een tweede die de debetzijde verhoogd. De eerst handeling houdt in dat een rekeninghouder een hoger saldo krijgt toegekend op zijn rekening. Hij krijgt beschikking over een hoger saldo; dus over meer giraal geld. De creditzijde gaat omhoog, want een saldo staat aan de creditzijde van de balans. Aan de andere kant gaat ook de debetzijde omhoog. De rekeninghouder krijgt zijn saldo-verhoging immers niet gratis. Het extra saldo dat hij krijgt is een lening. De rekeninghouder wordt dus ook als een debiteur in de boeken van de bank opgenomen. Over dit punt is haast geen controverse in de economische wetenschap. Zowel Oostenrijkers, Keynesianen en Monetaristen zijn het daar meestal over eens.
      Die twee boekhoudkundige handelingen vereisen niet dat de bank meer ‘funding’ heeft gekregen. Die handelingen kunnen gewoon worden uitgevoerd met een gelijkblijvende hoeveelheid gestort (gedepositeerd) contant geld. Wat er echter wel veranderd is dat de dekkingsgraad wijzigt.

      Het Currency Principle:

      De heer Ambtman zegt nog nooit van het Currency Principle gehoord te hebben. Wellicht zou hij dan Theorie des Geldes und der Umlaufsmittel van Mises een keer zou kunnen lezen of één van de vele andere boeken over de geldleer waarin dit theorema aan bod komt. Ongetwijfeld zal dit wat opheldering geven.

      De essentie van het Currency Principle is om de wisselwerking tussen geldschepping en de prijsstijging van onderpanden te illustreren. Dat wil niet zeggen dat er geen andere factoren meespelen die geldschepping bevorderen of afremmen. Een verplichte kasreserve (van bijvoorbeeld 5%) is bijvoorbeeld een rem op girale geldschepping. Desalniettemin zijn onderpanden een belangrijke factor bij het toekennen van hypothecair krediet en daarmee een factor bij girale geldschepping.

      Geldschepping – of het nu girale geldschepping is of contante geldschepping – verhoogt prijzen. Ook de prijzen van duurzame goederen en onroerend goed stijgen door geldschepping. Deze type goederen fungeren als onderpand voor leningen. Door de prijsstijging van deze onderpanden zullen banken gemakkelijker de bedragen van leningen verhogen. Zo kunnen banken dus ook meer giraal geld creëren.

      De heer Ambtman verwart vervolgens het prijsmechanisme met inflatie:

      De gedachte van het prijsmechanisme is die van vraagverschuiving: bijvoorbeeld een verschuiving van de vraag van winkelpanden naar woonhuizen. Dit veroorzaakt dat de prijs van winkelpanden in eerste instantie daalt en die van woonhuizen stijgt. De gestegen huizenprijs maakt het vervolgens aantrekkelijker om meer woonhuizen te bouwen en minder winkelpanden. In tweede instantie zal daardoor de prijs van woonhuizen weer dalen. De totale bestedingen naar de productiefactoren van winkelpanden en woonhuizen blijft echter hetzelfde. De kostprijs van een huis of winkel wordt niet beïnvloed door de vraagverschuiving. Zo werkt het prijsmechanisme.

      Een toename in geld heeft echter een ander effect. De vraag is hier niet of de huizenprijs richting de kostprijs tendeert, de vraag is nu juist wat met die kostprijs gebeurd. (De heer Ambtman maakt de impliciete aanname dat de kostprijs gelijk blijft). De kostprijs van nieuw te bouwen huizen zal door girale geldschepping net als die van bestaande huizen omhoog gejaagd worden. Als de huizenprijzen voor bestaande huizen omhoog gaat, dan wordt het inhuren van aannemers om bestaande huizen te renoveren of om nieuwe huizen te bouwen ook duurder. De vraag naar winkelpanden neemt immers niet af wanneer banken hypothecaire leningen (die middels girale geldschepping tot stand komen) verstrekken.

      • Plato , Direct link to comment

        Graag reageer ik op het commentaar van heer Ruijs. Ik denk dat om het principe van fractioneel bankieren te begrijpen het onderscheid tussen cash geld en giraal geld er niet toe doet. Bij fractioneel bankieren gaat het alleen maar om giraal geld. Verder ben ik het er mee eens dat de banken vrij simpel iemand een lening kunnen verstrekken. Daarmee wordt de balans aan beide zijden met het bedrag van de lening verhoogd. Maar waar het om gaat, is het probleem voor de bank als de lener zijn geld opneemt. Dan klopt de balans van de bank niet meer. Eigenlijk het zelfde als ik een vriend een miljoen leen. Het ziet er op papier leuk uit, maar zodra mijn vriend komt om het geld op te halen, heb ik een probleem. Het zelfde geld voor de bank. Die moet iemand anders vinden dit het gat dicht. Dat is voor mij de funding van de bank. Als de funding er niet is, kan de lening niet geeffectueerd worden en blijft de bankbalans in feite het zelfde. Als er veel geleend en gespaard wordt zal de balans van de bank groeien en dus de girale geldhoeveelheid toe nemen. Er is een groei van de schulden, maar die zullen een keer terug betaald moeten worden. De boom in de huizenprijzen die dit veroorzaakt verandert in een bust zodra er meer huizen gebouwd worden en de waarde van de huizenprijzen dalen. Het zou best kunnen dat door de bouwwoede de kostprijs omhoog gaat, maar het feest komt toch echt ten einde. Zei het door een rentestijging of een te veel aan huizen of om welke andere reden dan ook. De bomen groeien niet tot in de hemel. De huizen komen onderwater te staan, er volgen gedwongen huizenverkopen en de prijzen zakken nog verder. Typisch een Oostenrijkse school verschijnsel. Onder funding versta ik dus heel wat anders dan de heer Ruijs. Hij verstaat er onder het contante geld dat in de kluis van de bank ligt. Ik versta er onder het gespaarde girale geld (in welke vorm dan ook). Dat hij het woord funding niet gebruikt maakt niet uit, als hij maar zegt hoe de bank de rechterkant van zijnbalans invult. Dat lukt ze echt niet door contant geld in hun kluis te leggen. Als het een zwakke bank is en de mensen er geen geld heen willen brengen is het snel afgelopen. De bank heeft dan gewoon onvoldoende funding. Tenslotte begrijp ik niet waar de heer Ruijs naar toe wil met “dekking” en “fractioneel reserve bankieren”. Wat bedoelt u precies?

  • Philip Ruijs , Direct link to comment

    De heer Ambtman wil het naar mijn idee gewoon niet begrijpen: We moeten een onderscheid maken tussen ‘giraal geld’ en ‘contant geld’. Maar uit de reactie van de heer Ambtman blijkt dat hij simpelweg weigert dit te doen en daarmee zichzelf tegenspreekt. Eerst zegt hij : “Ik denk dat om het principe van fractioneel bankieren te begrijpen het onderscheid tussen cash geld en giraal geld er niet toe doet. Bij fractioneel bankieren gaat het alleen maar om giraal geld.” Dit is natuurlijk onzin: Giraal geld (zoals dat op je bankrekening staat) bestaat niet zonder contant geld, giraal geld is immers een claim op contant geld. Je kunt immers een deel van je banksaldo (je giraal geld) omzetten bij de pinautomaat in contant geld (cash geld). Vervolgens zegt de heer Ambtman: “Eigenlijk het zelfde als ik een vriend een miljoen leen. Het ziet er op papier leuk uit, maar zodra mijn vriend komt om het geld op te halen, heb ik een probleem. ” Wat hij bedoeld is dat als hij een bank is en iemand giraal geld uitleent ter waarde van 1 miljoen, hij mogelijk een probleem heeft als diegene dat girale miljoen wil omzetten in een contant miljoen.” Dat is inderdaad een potentieel probleem voor banken die giraal geld scheppen. Maar dat zegt niet dat girale geldschepping niet bestaat. Precies omdat mensen zelden een saldo van een miljoen willen omzetten in ‘echt geld’ (cash, contanten) is er helemaal niemand nodig om het gat te dichten. Het gebruik maken van dat verschijnsel dat mensen gewoonlijk slechts een klein gedeelte van hun banksaldo omzetten in contant geld is precies wat fractioneel reserve bankieren inhoud. Alleen in de uitzonderlijke situatie van een bankrun zullen banken vertrouwen op de centrale bank om dat gat te dichten. De heer Ambtman zegt: “Als de funding er niet is, kan de lening niet geeffectueerd worden en blijft de bankbalans in feite het zelfde”. Dit is helemaal niet waar. Additionele eenheden giraal geld scheppen is mogelijk zonder eerst over additionele eenheden ‘funding’ te beschikken.

    Kijk bijvoorbeeld eens naar dit artikel :
    https://www.researchgate.net/publication/265909749_Can_Banks_Individually_Create_Money_Out_of_Nothing_-_The_Theories_and_the_Empirical_Evidence

Leave a comment