Monopolies bestrijden is een economische farce

vr 3 juli, 2015
Auteur:

monopoly2

Economen uit de neo-klassieke traditie beschouwen de aanpak van marktfalen doorgaans als een kerntaak voor de overheid. Anderen die graag tegen de Oostenrijkse School aanschurken, erkennen het begrip “marktfalen” niet en zien dan ook geen enkele reden om overheidsbemoeienis in de economie te dulden, laat staan te rechtvaardigen. Een vaak aangehaald voorbeeld in dat opzicht is het monopolie en de drang van overheden, zowel nationale als Europese, om monopolies tegen te gaan, en dit ofwel door de vorming ervan te vermijden via een strikt wetgevend kader rond trustvorming, ofwel door de bestrijding achteraf via het opbreken van monopoliebedrijven. Vele liberalen steunen deze aanpak zelfs, zoals de Nederlandse Eurocommissaris Neelie Kroes, ook al staat deze praktijk in wezen haaks op de economische realiteit.

In een vrijemarktsituatie ontstaan monopolies spontaan en verdwijnen ze na enige tijd ook spontaan. Enkel in een overheidssituatie waarbij bedrijven via vergunningen of exclusieve staatsprivileges een monopoliepositie verkrijgen, is de continuïteit van het monopolie, los van innovatie of vernieuwing, gewaarborgd. Opnieuw is de overheid hier dus de oorzaak van het probleem, niet de oplossing. Geen enkele consumptie is vaststaand of constant, en alle producten concurreren in werkelijkheid alle andere producten op de markt.  Nutella-chocoladepasta concurreert niet enkel met Kwatta, maar ook met confituren, en zelfs met niet-voedingsgerelateerde producten. Een Volvo-auto concurreert niet enkel met een Audi, of met een treinabonnement, maar ook met een reis naar de Verenigde Staten of een nieuwe veranda. De budgetbeperking is constant, maar de wijze waarop we het budget willen besteden is dat niet.

Deze dynamiek is niet te vatten in neoklassieke modellen en net daardoor gaan vele traditionele economen hieraan voorbij. En zeker op vlak van monopolies is deze “praxeologische” kijk op de dingen zéér relevant, want hieruit blijkt immers onomstotelijk dat stabiele monopolies in een vrijemarktsituatie in wezen gewoon onbestaande zijn. Een bedrijf dat 100% van de cola-markt in handen heeft, moet immers nog steeds strijd leveren met de producenten van andere dranken – en met die van alle andere producten op de markt – voor de voorkeur van de consumenten. Enkel in een abstract theoretisch voorbeeld waarbij één bedrijf al het voedsel in de wereld zou bezitten, of al het water, omdat de consumptie van deze goederen nu eenmaal noodzakelijk is voor het overleven van de mens, zou dit monopolie inderdaad stabiel en persistent zijn. Maar deze situatie heeft zich in de échte wereld nog nooit voorgedaan, zelfs niet eens bijna, en zal zich ook in de toekomst nooit voordoen, tenzij dan in de hypothesemodellen van keynesiaanse en neo-klassieke economen.

En zelfs wanneer deze onwaarschijnlijkste onwaarschijnlijkheid zou gebeuren, dan nog heeft elke mens, en ik herneem hier de letterlijke woorden van professor Paul Cwik van Mount Olive College (North Carolina) op de 2008-editie van de Freedom University van de New Yorkse Foundation for Economic Education, de vrije keuze om te sterven. Cwiks vader besliste immers om zijn experimentele kankerbehandeling stop te zetten omdat het dagelijkse gebruik van peperdure medicijnen het gezin dreigde te bankroeten. Cwiks vader maakte de vrije keuze tussen enkele weken langer leven en een failliet gezin achterlaten. Los van het zwartgallige aan dit voorbeeld, is de eindconclusie duidelijk: de markt faalde ook in deze situatie niet.

In een vrijemarktsituatie ontstaat een monopolie telkens wanneer één bedrijf via innovatie of technologische vernieuwing een product kan maken of een dienst kan leveren die zich zo duidelijk van de andere producenten of leveranciers op de markt onderscheidt en de concurrenten zodanig overtreft, dat het die tegenspelers uit de markt kegelt. Op zich is daar niets mis mee, omdat de consumenten hiermee gediend zijn en omdat de economie hier als geheel beter van wordt. Innovatie en “creative destruction” zijn de motoren van onze welvaart, en vaak dragen dit soort spontane monopolies daartoe bij, net omdat ze de andere spelers op de markt dwingen ook zelf te innoveren en te vernieuwen. Succesformules kunnen zo worden bewerkt en overgenomen, en fouten kunnen uit de markt worden weggezuiverd.

En ook het monopoliebedrijf heeft vanzelfsprekend baat bij een adequate prijszetting voor haar producten, en dit niet enkel omdat de consumenten steeds de keuze blijven hebben iets anders in de plaats te kopen, maar ook omdat megaprijzen en woekerwinsten de beste incentives zijn voor derde partijen om zich op deze markt te gaan focussen, wat het monopolie zal afbreken en de prijs uiteindelijk terug naar het markteconomisch equilibrium zal brengen. Enkel indien het bedrijf zelf voortdurend blijft innoveren en vernieuwen, kan het zijn positie handhaven, maar dan is de consument ook zelf beter af want dan is dat bedrijf de beste producent of leverancier op de markt.

Dit alles bewijst in mijn ogen dan ook dat vrijemarktmonopolies, in tegenstelling tot staatsmonopolies, niet nefast zijn voor de consumenten of de samenleving, en dat de bestrijding ervan een economische farce is. Als de beleidsmakers in Brussel in de toekomst toch maar eens een econoom zouden willen raadplegen in plaats van louter af te gaan op hun buikgevoel en zich te laten leiden door manifestatiedrang en economisch populisme. Het zou de economie en de samenleving alleen maar ten goede komen. Maar ja, het volk krijgt de leiders die het verdient, zeker.

 

Vincent De Roeck

 

One Response to “Monopolies bestrijden is een economische farce”

  1. Plato schreef:

    Als er sprake is van alsmaar dalende marginale kosten bij toename van de schaalgrootte zal er een monopolie kunnen ontstaan. Een voorbeeld is een hoogoven. De investering wordt dan dusdanig groot dat dit een toetreding tot de markt tegen houdt. Immers de toetreder zal een zeer grote investering moeten doen, waarna onmiddellijk overcapaciteit ontstaat. Grote kans dat niemand dan zo’n investering aandurft en heeft de eerste investeerder alle ruimte om zijn prijzen hoger te stellen dan bij vrije concurrentie. Dit ten na dele van de gemeenschap.