De Verleiders verleid?

vr 5 juni, 2015
Auteur:

deverleiders

Theatergroep ‘De Verleiders’ maakte dit jaar een zegetocht door het land met hun stuk ‘Door de bank genomen”. Maar, hoe diep gaan De Verleiders in hun analyse van geld?

Het gebeurt niet vaak, maar het is eerder vertoond. De opera La Muette de Portici, van ene Daniel Auber sloeg de vonk voor de Belgische revolutie, na een opvoering op de verjaardag van Koning Willem I, in de Brusselse Muntschouwburg. En de bezoekers van de première van ‘Das Floß der Medusa’, van Hans Werner Henze, een requiem voor revolutionair icoon Che Guevara, in het Hamburg van 1968, meenden vast dat zij op het punt stonden de revolutie te ontketenen. Het stuk ontaardde in forse rellen.

En nu dan, met de theatergroep ‘De Verleiders’ ‘back in business’, is er een nieuwe kans, in elk geval volgens gastheer Matthijs van Nieuwkerk die de acteurs bij ontvangst in DWDD een revolutie voorspiegelde. De theatergroep, die zich toelegt op actueel theater over de zakenwereld, staat sinds november van het vorig jaar op de planken met het stuk: ‘Door de bank genomen’. De laatste opvoering vindt plaats op 4 juli in Utrecht tijdens een meerdaags festival waarin de verschillende ‘grote geld stukken’ van de Verleiders een laatste keer worden vertoond.

De voorstelling gaat over de wereld van geld en het beheer ervan. Na twee jaar research in de bankensector bleek de uitkomst voor de theatermakers nog verbijsterender dan gevreesd. Het gaat over hoe banken met een druk op ‘enter’ geld uit de hoge kapitalistenhoed toveren en de gewone burger moet kromliggen om hoofdsom en rente op te hoesten.

Het stuk maakt bij het publiek heftige emoties los. Want wie heeft niet een te hoge hypotheek, te veel verzekeringen en de angst voor te weinig pensioen, of is maar ternauwernood ontsnapt aan de gelikte en verleidelijke praatjes van de bankiers en andere financiële tovenaars? En die leven er ook nog goed van, overdag in hun tovenaarstorens op de Zuidas en na gedane arbeid, als het arbeid heten mag, in hun bijna kastelen in Aerdenhout of ’t Gooi. De Verleiders klagen hen aan.

Onder het motto ‘de klinkers uit de straten’ maakten de acteurs de afgelopen maanden een zegetocht langs uitverkochte zalen in het land. Het publiek joelt als jonge kinderen bij een poppenkast, aldus de acteurs. En aan het begin van de voorstelling die ik bezocht in Theater Carré klonk in antwoord op het voorzetje van de acteurs ‘Geld is…’, vanuit de zaal een diep gemeend: ‘de wortel van Het Kwaad!’.

verleiders-dwdd

De volkswoede, opgekropt sinds de financiële crisis van 2008 met zijn lange nasleep, kan voorlopig een uitlaatklep vinden in een heus burgerinitiatief. Op de dag van de lancering bereikte het initiatief, ondanks dat de website aanvankelijk enkele uren onbereikbaar was, de 40.000 handtekeningen die nodig zijn om geldschepping door banken op de politieke agenda te zetten.

Op 21 april jl. boden de initiatiefnemers, naast De Verleiders, Ad Broere en de Stichting Ons Geld, de meer dan 110.000 handtekeningen die inmiddels zijn verzameld aan de Tweede Kamer aan. Het is daarmee een van de meest succesvolle burgerinitiatieven ooit! Als de ‘Kamercommissie voor de Verzoekschriften en Burgerinitiatieven’ heeft vastgesteld dat aan alle voorwaarden is voldaan, wordt het onderwerp van het initiatief − geldcreatie door private banken − in de kamer besproken.

De initiatiefnemers staan voor ‘geldschepping in het algemeen belang’. Ze zijn van mening dat geld van ons allemaal is en door de overheid gecreëerd dient te worden en niet door particuliere commerciële banken, zoals nu de praktijk is. Ze staan daarin niet alleen: in maart verscheen een rapport aan de premier van het door de bankencrisis zwaar getroffen IJsland met een voorstel voor een ‘Sovereign Money system’.(1) Geldschepping is in dat systeem voorbehouden aan de centrale bank die eigendom is van de staat.

Het is de schuld van…

De initiatiefnemers hebben zich weliswaar verdiept in de techniek van geldschepping, maar als het gaat om de economie en politiek van geld vallen ze terug in aloude en versleten sjablonen. Alles staat in het teken van de verleiding van het grote geld en het zwakke vlees, het kwaad van winst, rente en handel en dat alles natuurlijk gedoogd door een te afstandelijke overheid die met een politiek van ‘Laissez-faire’ de geldwolven hun gang laat gaan.

Heel passend werd die visie, op 2e Kerstdag, rond de kerstboom, in een praatprogramma ‘de verleiding van het grote geld’ geïllustreerd aan de hand van een eerder stuk, ‘de casanova’s van de vastgoedfraude’ (2). Het programma laat zien hoe de Verleiders, Ad Broere en de Stichting Ons Geld en een groot deel van het publiek tegen geld en zaken doen aan kijken. Gastheer Jort Kelder, moedig, maar een beetje aarzelend als een misdienaar verdwaald in een vreemde eredienst, had geen weerwoord tegen de zware vonnissen van het panel van Drie Wijzen, in hun wijsheid ten ene male onbekend met het verschijnsel van een betaalmeester die weg kan lopen. Scrooge was, samen met Dagobert Duck, al bij voorbaat in de hoek gezet.

Een van de Drie Wijzen, een gewezen rechter, liet horen hoe het met de mensenkennis en ruimhartigheid van zijn beroepsgroep gesteld is. Hij kon zich niet voorstellen dat iemand met een miljoen op de bank, nog meer zou willen verdienen met nog grotere deals en betere zaken (voor het gemak vergetend dat voor hem bij het ABP waarschijnlijk een goede anderhalf miljoen klaar staat). Een tweede Magi, een psychiater, stelde ondernemingsdrift van bankiers en grootaandeelhouders gelijk aan drugsverslaving.

Ook twee ondernemers, waarschijnlijk de enigen in het illustere gezelschap die ooit afhankelijk zijn geweest van het bewijzen van diensten aan anderen (naast andere minder gedienstige zaken waar ze zich mogelijk aan schuldig hebben gemaakt), mochten hun zegje doen. Een van de twee liet zich besmuikt lachend de rol van de kwajongen van de klas aanmeten. Alleen de tweede liet de veroordelende woorden niet over zich heen gaan en durfde zijn rechters tegen te spreken. Hij prees de spanning èn voldoening van het ondernemen, van het nemen van risico’s en van het beloond worden wanneer de visie uitkomt.

De overheid moet…

Het enorm succes van het stuk ‘door de bank genomen’ laat zien wat kunst en in het bijzonder een populaire kunstvorm als theater vermag. Het is een grote verdienste dat geldschepping en de problemen die zij in het leven roept aandacht krijgen van het grote publiek. De Verleiders boeken met hun stuk en hun burgerinitiatief een klaterend succes dat een aanhanger van de econoom Ludwig von Mises rechts inhaalt en met verwarde haren en starende blik achterlaat.

De Verleiders beschouwen de politiek als een bondgenoot in hun strijd tegen de uitwassen van geldschepping. Ze gaan er van uit dat politici belang hebben bij een veranderd monetair systeem.

Maar met diezelfde Mises is ook te zien dat de agenda van de Verleiders en hun medestanders verre van volledig is en de adressering buitengewoon naïef. Mises is immers de econoom die al in het begin van de vorige eeuw de problemen van geldschepping door banken aan de kaak stelde. De Verleiders beschouwen de politiek als een bondgenoot in hun strijd tegen de uitwassen van geldschepping. Ze gaan er van uit dat politici belang hebben bij een veranderd monetair systeem.

Maar Mises wist als eerste haarfijn uit te leggen hoe juist overheden en banken door handjeklap de geldcreatie tot wederzijds voordeel wisten te regelen en aldus geld steeds verder van elke reële waarde wisten te ontdoen. Van een politiek van ‘Laissez Faire’ was daarbij in het geheel geen sprake. Integendeel, met vallen en opstaan werd in de loop van eeuwen een systeem van minutieuze regels uitgedokterd.

Over de betrokkenheid van de politiek laat Mises weinig twijfel bestaan: ‘De houdingen van de Europese overheden ten opzichte van het bankieren waren vanaf het begin huichel- en leugenachtig.

De geveinsde bekommernis omwille van de welvaart van de natie, alsmede van het publiek in het algemeen en de arme onwetende menigten in het bijzonder, waren slechts een dekmantel. De overheden wilden inflatie en kredietexpansie, ze wilden hausses en gemakkelijk geld.’

Echt geld

Het huidige geldstelsel van fractioneel bankieren, dat wil zeggen bankieren met in verhouding tot de uitstaande geldhoeveelheid beperkte bankreserves, is in ruim drie eeuwen geleidelijk ontwikkeld door handjeklap van banken en overheden. Jawel, die overheden die het burgerinitiatief nu als de redder in nood wil aanspreken. Met de opkomst van landbouw en handel en na wat onhandig geëxperimenteer met te lompe koeien en te breekbare schelpen, werden goud en zilver het algemeen begeerde en aanvaarde geld. Ze hadden evengoed als de geruilde goederen een reële gebruikswaarde, maar waren bovendien door hun stabiele en makkelijk herkenbare kwaliteit de meest gewilde ruilmiddelen. Toch waren ze niet altijd handig als betaalmiddel: te zwaar, te groot en daarmee te riskant om mee van en naar de markt te sjouwen.

Zo werd het papieren geld ontwikkeld, in het westen overigens pas zo’n 350 jaar geleden. Het waren niet anders dan tegoedbonnen voor de ‘real stuff’: het bij banken in bewaring gegeven goud en zilver. Maar dat betekende over het algemeen, met uitzondering van enkele relatief korte perioden, een zeer beperkte groei van de totale hoeveelheid geld in omloop. Beperkt namelijk door het goud en zilver dat in het zweet des aanschijns uit de schoot der aarde moest worden gedolven. Vergelijk het met bitcoin dat een mathematische en virtuele kopie is van dit concept.

Niettemin: aan geld nooit gebrek. Ook niet, in tegenstelling tot wat veel ‘moderne’ economen denken, in tijden van economische groei. Voor zover de productie van goederen en diensten harder groeide dan de geldhoeveelheid, vond aanpassing plaats door dalende prijzen. De hele maatschappelijke productie kon dus altijd met het beschikbare geld gekocht worden.

Niettemin: aan geld nooit gebrek. Ook niet, in tegenstelling tot wat veel ‘moderne’ economen denken, in tijden van economische groei.

De bankiers hadden al snel in de gaten dat ze een aardige zakcent konden bijverdienen door meer van die tegoedbonnen uit te schrijven dan hun klanten in goud en zilver in bewaring hadden gegeven. Meer dan een zakcent werd het lange tijd niet. De kooplui en ambachtslieden die voldoende geld hadden om van diensten van banken gebruik te maken, hadden het bedrog meestal snel genoeg door. Banken die meer papiergeld uitgaven dan hun reserves aan ‘echt geld’, goud en zilver, groot waren, werden daarom voortdurend met insolvabiliteit en uiteindelijk een ‘bank run’ bedreigd.

Maar banken wisten toen ook al wat veel (vooral grotere) ondernemers en belangengroepen nu ook nog heel goed weten: als je iets wilt verkopen dat je klanten niet lusten, ga je naar de overheid. En zo geschiedde: de banken werden geleidelijk aan vrijgesteld van hun contractuele verplichting om aangeboden tegoedbonnen te allen tijden volledig en onmiddellijk (in echt geld) uit te betalen.

Het begon allemaal in Amsterdam en London

Grote stappen werden gezet aan het einde van de 17e eeuw onder het bewind van Willem (Hendrik) III van Oranje, de nieuwbakken Engelse koning van Hollandse bodem. Engeland lag in puin en was leeggezogen na vier decennia burgeroorlog. De monarchie had haar krediet verspeeld door meer dan de helft van haar schuld niet af te betalen. Toch hadden Willem en zijn cortège nog buitenlandse militaire ambities, maar bovendien moesten ze zich verdedigen tegen rivalen in het binnenland.

bank-of-england

Uitgerekend een Schot, ene William Paterson, bood uitkomst. Hij stelde voor om samen met zijn compagnons een Bank of England op te richten. Deze zou genoeg bankbiljetten drukken, tegoedbonnen voor goud en zilver, om het schrijnende tekort van de overheid te dekken. In ruil daarvoor zou de Engelse overheid al haar tegoeden aanhouden bij de bank. Een beetje bankier weet daar wel raad mee, natuurlijk. En bankieren konden ze wel. Deze beginners zouden Bears & Stearns niet hebben beschaamd.

Al snel waren de reserves uitgekleed tot een schamele 35.000 pond tegen een uitstaande schuld van 760.000 pond, een opblaasfactor van ruim 21. De burgers die dat in de gaten kregen, ruilden hun tegoedbonnen in. Dat had het einde kunnen zijn van de Bank of England en van centrale banken en fractioneel bankieren in het algemeen. Maar toen was er iets nieuws onder zon. Iets dat ons zo vertrouwd is geworden: de eerste bail-out was een feit. De Engelse overheid had haar kip met gouden eieren gevonden en was niet van plan die al zo snel naar het slachtblok te laten leiden.

‘The Bank’ werd ‘tijdelijk’ ontheven van haar contractuele verplichting om de tegoedbonnen uit te betalen. Dat ‘tijdelijk’ werd vanaf dat moment telkens herhaald als de bank haar boekje overschreef en een nieuwe ‘bankrun’ dreigde. Wie dacht het winstgevende trucje te kunnen imiteren, kwam bedrogen uit. Na enige jaren verblijdde de Engelse overheid ‘The Bank’ met een monopolie op de uitgifte van papiergeld. En het was haar serieus: wie het geld namaakte, al was het maar een stukje papier, bekocht dat met de dood.

Daarmee waren de deal en het systeem in grote lijnen rond. In ruil voor de profijtelijke privileges organiseerden de bankiers een geoliede en gladjes draaiende schuldenmarkt waar voor overheden tegen lage rentes grote bedragen aan leningen waren binnen te halen, met terugbetaling pas ver aan de horizon en later helemaal niet meer. Want dat werd een volgende belangrijke innovatie: leningen worden ‘afgelost’ met leningen.

ludwig-von-mises2

Mises beschrijft het belang van overheden bij deze regeling als volgt: ‘overheden keken nooit naar de uitgifte van geld vanuit een ander perspectief dan die van fiscale overwegingen. In hun ogen was de voornaamste taak van de banken om geld aan de overheid te lenen.’

Vluchten kan niet meer…

Aanvankelijk ging het meestal om het bekostigen van oorlogen. Zo werd op de dag van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in alle oorlogvoerende naties de vrije inwisselbaarheid van papieren geld voor goud ingetrokken. Na die oorlog ging het ook steeds meer om het op andere wijzen bestieren van de mensheid: de bekostiging van de verzorgingsstaat. De combinatie van beide werd door president Lyndon Johnson tot een nieuw hoogtepunt gebracht in zijn ‘Guns and Butter’ politiek.

Hij liet de geldpersen op volle toeren draaien om zowel de Vietnam War als de ‘War on Poverty’ en zijn ‘Great Society’ te bekostigen. Zijn ambities leidden er toe dat zijn opvolger Nixon zich in augustus 1971 genoodzaakt zag het laatste veiligheidspennetje uit het systeem te trekken. Hij koppelde de dollar los van het goud. De dollar kon vanaf dat moment niet langer tegen een vaste hoeveelheid goud ingeruild worden. Die inwisselbaarheid voor overheden was sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog de basis van het internationale betalingsverkeer onder het zogenaamde ‘Bretton Woods stelstel’.

Stilzwijgend werd er van uitgegaan dat de Europeanen in de internationale handel verdiende dollars zouden blijven vertrouwen en niet zouden inruilen. Alleen, de verleiding bleek voor de Amerikaanse politici te sterk en Johnson bedierf het spel met zijn inflatoire politiek. De Europese overheden en centrale banken maakten vervolgens gebruik van een optie die ze hun eigen burgers al in 1914 hadden ontnomen: ze boden hun tegoedbonnetjes, de dollars, toch aan ter inwisseling voor goud. Eerst schoorvoetend, maar na het voorbeeld van de eigenzinnige De Gaulle, die toch al een broertje dood had aan ‘les américains’, letterlijk met scheepsladingen tegelijk.

In de recente geschiedenis werd het spel herhaald, bijvoorbeeld met de huizenbubbel gefinancierd met hypotheken voor mensen die ze niet konden betalen en met de oorlogen in Irak en Afghanistan.

De laatste toevlucht, het inwisselen van papier geld voor goud, was nu officieel aan iedereen ontnomen. Maar het motief voor politiekers en bestuurderen bleef altijd het zelfde: méér kunnen uitgeven dan de belastingbetaler en kiezer wil of kan betalen. Mises had het in 1912 al door: ‘Een beroep op de drukpers en de onderdanigheid van bankiers die bereid zijn om de autoriteiten te gehoorzamen (…) zijn de voornaamste middelen van een overheid die geld uit wil geven aan zaken waarvoor de belastingbetalers niet willen betalen met hogere belastingen.’

Wiens kip en gouden ei?

Het McKinsey Global Institute heeft geprobeerd prijskaartjes te hangen aan ‘de kip met de gouden eieren’ (3). Wat blijkt? Precies zoals Mises beschrijft zijn overheden de belangrijkste begunstigden van de extreem lage rente die door de belangrijkste centrale banken van de wereld sinds de financiële crisis van 2008 wordt opgelegd. De kosten van schulden zijn aanmerkelijk verminderd en de overheden zijn daardoor, in plaats van te bezuinigen, in staat gesteld extra uitgaven te doen. Naar schatting beloopt het profijt van de overheden van de Verenigde Staten, Groot Brittannië en de Eurozone tussen 2007 en einde 2012 1,6 biljoen dollar, ca. 1,3 biljoen euro, een bedrag dat overeenkomt met tussen de 4 en 8% van hun totale schuld. Het bedrag is ruim tweemaal zo groot als het jaarlijkse Nederlandse Bruto Nationaal Product en is goed voor ruim 5 Nederlandse rijksbegrotingen.

Precies zoals Mises beschrijft zijn overheden de belangrijkste begunstigden van de extreem lage rente die door de belangrijkste centrale banken van de wereld sinds de financiële crisis van 2008 wordt opgelegd.

Daarentegen verloren huishoudens in dezelfde periode en landen 630 miljard dollar. Daar komt bij dat ook de toekomstvoorziening van die huishoudens via pensioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen door de politiek van die centrale banken op het spel gezet. Opmerkelijk is dat banken niet van deze extravagantie profiteerden, althans de banken in de Eurozone niet. Hun winsten namen sinds 2009 als gevolg van de lagere rentestand en kosten die niet of minder daalden met 230 miljard dollar af.

Tot slot

Beide partijen aan tafel, banken en overheden, trokken profijt van het fractioneel bankieren zoals dat in de afgelopen eeuwen is ontwikkeld. Maar de kosten werden en worden gedragen door de doorsnee burger, de belastingbetaler, de jongeren zonder stem, de spaarders en uiteindelijk, en in toenemende mate, de gehele maatschappij door de groeiende financiële ontwrichting en instabiliteit als gevolg van de almaar groeiende schuldenlast en de financiële zeepbellen die steeds opnieuw worden geblazen. ‘De Verleiders’ zijn verleid: in de maalstroom van hun succes en enthousiasme willen zij de sleutels van de brandkast overhandigen aan de dieven en de lucifers aan de brandstichters.

Gèr van Gils

whdomoggDe citaten van Ludwig von Mises zijn afkomstig uit de binnenkort te verschijnen Nederlandse vertaling van zijn belangrijkste werk ‘Human Action’, in het Nederlands: ‘Het Menselijk Handelen’. Zijn ideeën over geld zette hij uiteen in zijn ‘Theorie des Geldes und der Umlaufsmittel’ uit 1912 (in het Engels vertaald als ‘The Theory of Money and Credit’).

Een helder en eenvoudig boekje over de ontwikkeling van het geldstelsel, geïnspireerd door Mises, is: ‘Wat heeft de overheid met ons geld gedaan?’, van Murray

Eindnoten:

1 Monetary Reform, A better monetary system for Iceland. A report by Frosti Sigurjonsson commissioned by the Prime Minister of Iceland. Edition 1.0 March 2015
2 http://www.npo.nl/de-verleiding-van-het-grote-geld/26-12-2014/AT_2027013
3 The McKinsey Global Institute, QE and ultra-low interest rates: Distributional effects and risks, Discussion paper, November 2013

 

5 Responses to “De Verleiders verleid?”

  1. Plato schreef:

    Zoals de verleiders in hun analyse een aantal fouten maken, wordt dat ook gedaan in dit stuk. Op zich is er helemaal niks mis met fractioneel bankieren. Het is toch mooi dat ik mijn geld naar een instituut kan brengen die dat vervolgens doorleent aan een ander. Ik ben verzekerd van een vergoeding en het risico wordt gespreid over meerdere inleggers. Waar de problemen van komen is dat ik een te hoge vergoeding wil en de bank te grote risico’s neemt. Maar goed, het is toch aan de inlegger te bepalen aan wie hij zijn geld toe vertrouwt. Tenslotte kan hij er ook voor kiezen om zijn geld renteloos in een kluis te leggen. Echter als hij een verkeerde keuze gemaakt heeft, zal hij ook de gevolgen moeten accepteren. De bank moet gewoon failliet gaan. Trouwens: aan krediet verlenen is an sich niks mis. Dat doen ook bedrijven aan hun klanten. Het hele geldsysteem moet gebaseerd zijn op kredietwaardigheid en dan hoeft er geen goud aan te pas te komen. Kredietverlening is geen geldschepping. Immers “bij het inlossen van de schuld verdwijnt het geld weer”. Maar misschien ben ik iets te optimistisch over de moraliteit van de mensen.

    • wilhelm schreef:

      Kredietverlening is geen geldschepping zegt Plato. Dit op basis van de vaststelling dat als de schuld wordt afgelost het geschapen geld weer verdwijnt.
      Dit is natuurlijk te simpel. Evident is al dat in de tussentijd er wel extra geld was.
      Wat nog onbesproken blijft is dat dit extra geld ook weer aanleiding kan hebben gegeven tot het scheppen van extra geld. Immers het geleende geld zal zijn uitgegeven. De ontvanger heeft het bedrag geheel of gedeeltelijk toevertrouwd aan zijn bank. Deze bank heeft op basis van dit geld (wat al geleend was) weer krediet kunnen verstrekken…..
      Dit effect wordt vergeten.
      Nog los van dit effect zal volgens deze Plato leven niet bestaan. Immers na de geboorte volgt de dood. Per saldo is dit nul. Ja het leven is simpel als boekhouder.

  2. sirik schreef:

    Dit is een heel fout stuk.
    Geldschepping, inflatie dus of noem het maar het uitgeven van vals geld wordt door de central bank gedaan.
    immers DNB geeft toestemming om fractioneel, corrupte boekhouding, te bankieren.
    In NL is dat 3%. (Dat betekent dat slechts 3% gedekt is, ipv 100%)

    De oplossing is echter vrijwel onmogelijk als erg simpel.
    Sta toe dat eenieder een bank kan beginnen zonder dekking door DNB, belastingbetaler.. Banken kunnen dan failliet gaan zonder de samenleving te beschadigen.
    Geen enkele investeerder zal zo onvoorzichtig zijn om zijn kapitaal door fractioneel te bankieren te vernietigen. En de concurrentie ligt op de loer.

    Probleem opgelost.

    men leze : http://www.mises.com –> “denationalization of money” door F.A. Hayek

  3. wilhelm schreef:

    Ik mis de connectie tussen het artikel van van Gils en de reactie van Koos. Heeft van Gils het over Chomsky hier? Lijkt een misplaatsing.