Waarom de Oostenrijkse School er toe doet.

zo 6 januari, 2013
Auteur:

menger

Economie, zo schreef Joseph Schumpeter, is “een grote omnibus die veel passagiers bevat met onmeetbare belangen en vermogens.” Dat wil zeggen dat economen een onsamenhangend en onbekwaam zootje zijn en hun reputatie weerspiegelt dat ook. Het hoeft echter niet zo te zijn, want economen pogen de meest wezenlijke vraag aangaande de materiele wereld te beantwoorden.

Doe alsof u niets weet over de markt en stel uzelf deze vraag: hoe kan de gehele voorraad van de schaarse fysieke en intellectuele goederen van de samenleving zo worden samengevoegd dat de kosten minimaal zijn; de talenten van elk individu benut; er in de noden en smaken van elke consument wordt voorzien; technologische innovatie, creativiteit en sociale ontwikkeling, wordt aangemoedigd; en dit allemaal te doen op een wijze die vol te houden is?

Deze vraag is een wetenschappelijke krachtinspanning waard, en zij die worstelen met het antwoord zijn ongetwijfeld eerbiedwaardig. Het beroerde is dit: de methoden gebruikt door veel mainstream economen hebben weinig van doen met handelende mensen en dus leveren deze methoden geen conclusies op die waar schijnen te zijn. Dit hoeft niet het geval te zijn.

De voornaamste vragen van de economie hebben, sinds het Oude Griekenland, de grootste denkers bezig gehouden. En vandaag de dag is het economische denken versnipperd in vele wijsgerige scholen: de Keynesianen, de Post-Keynesianen, de Neo-Keynesianen, de Klassieken, de Neoklassieken (of de School der Rationele Verwachtingen), de Monetaristen, de Chicago Public Choicers, de Virginia Public Choicers, de Experimentalisten, de Game Theorists, de verscheidende takken van Supply Sideisme, en zo verder.

De Oostenrijkse School

Ook een deel van de verzameling, maar in veel opzichten op zichzelf staande en boven de anderen, is de Oostenrijkse School. Het is niet een terrein binnen de economie, maar een alternatieve wijze om naar de gehele wetenschap te kijken. Waar andere scholen primair steunen op geïdealiseerde wiskundige modellen van de economie, en manieren aan de hand doen waardoor overheden de wereld conform deze modellen maken, is de Oostenrijkse theorie meer realistisch en dus meer sociaal wetenschappelijk.

Oostenrijkers zien economie als een instrument om te begrijpen hoe mensen zowel samenwerken als concurreren in het proces van behoeften op elkaar afstemmen, middelen toekennen, en manieren ontdekken om te bouwen aan een welvarende sociale orde. Oostenrijkers zien ondernemerschap als een uiterst belangrijke kracht in de economische ontwikkeling, privaat eigendom als essentieel voor een effectief gebruik van bronnen, en interventie van de overheid in het markt proces altijd en overal als destructief.

De Oostenrijkse School maakt vandaag de dag een belangrijke opleving door. In het hoger onderwijs komt dit door een verzet tegen de mathematisering, de wederopstanding van verbale logica als een methodologisch instrument en het zoeken naar een theoretisch stabiele traditie in het gekkenhuis van macro-economisch getheoretiseer. Wat het beleid aangaat ziet de Oostenrijkse School er meer en meer aantrekkelijk uit, gezien de voortdurende conjunctuurgolf[1] mysteriën, de ineenstorting van het socialisme, de kosten en het falen van de gereguleerde verzorgingsstaat en de frustratie van het volk ten aanzien van de grote overheid.

Hoge Pieken in de Oostenrijkse Traditie

In haar twaalf decennia heeft de Oostenrijkse School verschillende niveaus van toonaangevendheid mee gemaakt. Zij vervulde een centrale rol in de prijs theorie debatten voor de eeuwwisseling[2], de monetaire economie in het eerste decennium van de eeuw en het geschil over de uitvoerbaarheid van het socialisme en de bron van de conjunctuurgolf in de jaren ’20 en ’30 van de 20ste eeuw. De school raakte op de achtergrond van de jaren ’40 tot midden jaren ’70 en werd gewoonlijk enkel nog genoemd in teksten over de geschiedenis van het economische denken.

carl-mengerDe proto-Oostenrijkse traditie gaat terug op de Spaanse scholastici van de 15de eeuw, die als eersten een individualistisch en subjectief begrip van prijzen en lonen presenteerden. Maar de formele oprichting van de school gaat terug tot de publicatie van Carl Menger zijn Grondbeginselen van de Economie uit 1871, welke het begrip van economen van het waarderen, aanwenden en prijzen van bronnen van bestaan veranderde door in de “marginale revolutie” zowel de klassieke als de marxistische zienswijze omver te werpen.

Menger bracht ook een nieuwe theorie van geld als een markt instelling voort, en grondde economie in deductieve wetten, te ontdekken door de methodes van de sociale wetenschappen. Het boek van Menger, zei Ludwig von Mises, maakte een econoom van hem, en het is nog steeds van grote waarde.

Eugen von Böhm-Bawerk was de volgende belangrijke figuur in de Oostenrijkse School. Hij toonde aan dat de rentevoet, wanneer deze niet gemanipuleerd wordt door een centrale bank, wordt bepaald door de tijdshorizon van het volk, en dat de Return on Investment de neiging heeft gelijk te zijn aan de mate van de tijdsvoorkeur. Hij deelde ook een dodelijke klap uit aan Marx zijn theorie van kapitaal en exploitatie, en hij was een onmisbare verdediger van de theoretische economie in een tijd waarin historici van elke soort dit probeerden te vernietigen.

bohm-bawerkBöhm-Bawerk zijn grootste student was Ludwig von Mises, wiens eerste belangrijke project de ontwikkeling van een nieuwe theorie van het geld was. De Theorie van het Geld en Krediet, gepubliceerd in 1912, borduurde voort op Menger, toonde niet alleen aan dat geld zijn oorsprong had in de markt, maar ook dat het niet op een andere manier tot stand kon komen. Mises beargumenteerde ook dat geld en bankieren over gelaten zouden moeten worden aan de markt, en dat interventie van de overheid alleen schade kan veroorzaken.

In dat boek, welk tot op heden een standaardwerk blijft, zaaide Mises ook de zaden van zijn conjunctuurgolf theorie. Hij redeneerde dat wanneer de centrale bank kunstmatig de rente verlaagt, het tot verwringingen leidt in de structuur van productie in de kapitaal goederen sector. Wanneer slechte investeringen plaatsvinden is een economische daling nodig om slechte investeringen er uit te spoelen.

Samen met zijn student F. A. Hayek richtte Mises het Oostenrijkse Instituut voor Konjunkturforschung in Wenen op, en hij en Hayek toonden aan dat de centrale bank de bron is van de conjunctuurgolf. Hun werk bewees ten slotte het meest effectief te zijn in het bestrijden van Keynesiaanse experimenten om de economie precies af te stemmen door fiscaal beleid en de centrale bank.

De Mises-Hayek theorie was dominant in Europa totdat Keynes de overwinning behaalde door te redeneren dat de markt verantwoordelijk is voor de conjunctuurgolf. Het was niet bezwaarlijk dat Keynes zijn theorie pleitte voor meer uitgeven, inflatie en tekorten reeds in praktijk gebracht door overheden overal ter wereld.

Socialistische calculatie

Ten tijde van het conjunctuurgolf debat, waren Mises en Hayek ook verwikkeld in een geschil over socialisme. In 1920 had Mises een van de belangrijkste artikelen van de eeuw geschreven: “Economische calculatie in het socialistische rijk,” gevolgd door zijn boek Socialisme. Tot dan toe waren er veel critici van het socialisme geweest, maar niemand had socialisten uitgedaagd hoe hun economie eigenlijk werkt zonder vrije markt prijzen en privaat eigendom.

ludwig-von-misesMises argumenteerde dat rationele economische calculatie een winst-en-verlies-test nodig heeft. Wanneer een firma winst maakt, dan gebruikt zij bronnen efficiënt; als zij verliest maakt niet. Zonder deze signalen heeft degene die handelingen verricht in de economie geen enkele manier om de doelmatigheid van zijn beslissingen te testen. Hij kan de alternativiteitskosten[3] niet inschatten van een of ander productie besluit. Prijzen en de gevolgtrekking winst-en-verlies zijn essentieel. Mises toonde ook aan dat privaat eigendom van de productiemiddelen nodig is om deze prijzen te genereren.

Het socialisme stelt dat de productiemiddelen in collectieve handen zouden moeten zijn. Dit betekent geen koop of verkoop van kapitaalgoederen en dus geen prijzen voor kapitaalgoederen. Zonder prijzen is er geen winst en verlies test. Zonder rekenschap af te leggen van winst en verlies kan er geen echte economie zijn. Zou er een nieuwe fabriek gebouwd moeten worden? Onder het socialisme is er geen enkele manier om hier iets over te zeggen. Alles wordt giswerk.

Mises zijn essay deed overal in Europa en Amerika een debat ontbranden. Een topsocialist, Oskar Lange, gaf toe dat prijzen nodig zijn voor economische calculatie, maar hij zei dat centrale planners uit hun eigen hoofden prijzen konden genereren, rijen bij winkels bekijken om de vraag van de consument te bepalen, of zelf te voorzien in de signalen van productie. Mises wierp tegen dat “marktje spelen” evenmin zal werken; socialisme faalt door zijn eigen interne tegenstrijdigheden.

Hayek gebruikte de gelegenheid van het calculatiedebat om het Misesiaanse argument in zijn eigen theorie over het gebruik van kennis in de maatschappij te bewerken en uit te werken. Hij beargumenteerde dat de kennis voortgebracht door het marktproces ontoegankelijk was voor een enkele menselijke geest, die van een centrale planner in het bijzonder. De miljoenen beslissingen nodig voor een welvarende economie zijn te complex om voor elke persoon afzonderlijk te begrijpen. Deze theorie werd de basis van een meer voldragen theorie van de sociale orde dat de rest van Hayek zijn academische leven in beslag nam.

Mises kwam naar de VS na de Nazi’s ontvlucht te zijn en werd binnen gehaald door een handvol vrije markt zakenlieden, bij uitstek Lawrence Fertig. Hier hielp hij een beweging bouwen rondom zijn ideeën, en de meeste vrijemarkt economen zijn schatplichtig aan hem. Niet één, zoals Milton Friedman gezegd heeft, heeft meer gedaan dan Mises om vrije markten in dit land te promoten. Maar dat waren duistere tijden. Hij had moeite met het vinden van de betaalde universitaire betrekking die hij verdiende, en het was moeilijk om een breder publiek te krijgen voor zijn visie.

Tijdens deze vroege jaren in Amerika werkte Mises om zijn zojuist voltooide Duitstalige traktaat te herschrijven in Human Action, een allesomvattend werk voor Engelstalig publiek. Hij werkte er nauwgezet de filosofische fundering in uit van de sociale wetenschappen in het algemeen en de economische in het bijzonder. Dit bewees een betekenisvolle bijdrage te zijn: lang nadat de naïeve dogma’s van het empirisme hadden gefaald blijft Mises zijn “praxeology”, of de logica van het menselijke handelen, studenten en docenten inspireren. Zijn magnum opus veegde Keynesiaanse drogredenen en historistische pretenties van tafel en maakte uiteindelijk de herleving van de Oostenrijkse School mogelijk.

De herleving

Evenwel was het tot de jaren ’70 van de 20ste eeuw moeilijk om een vooraanstaande econoom te vinden die de Keynesiaanse leerstellingen niet deelde. Leerstellingen als: dat het prijs systeem pervers was, dat de vrije markt irrationeel was, dat de aandelenmarkt gedreven werd door dierlijke geesten, dat de private sector niet kon worden vertrouwd, dat de overheid in staat was de economie te plannen om haar te behoeden voor een val in recessie en dat inflatie en werkeloosheid omgekeerd met elkaar in verhouding stonden.

israel-kirznerEen uitzondering was Murray N. Rothbard, een andere grote student van Mises, die in de vroege jaren ’60 een lijvig economisch traktaat schreef genaamd Man, Economy, and State. In dit boek voegde Rothbard zijn eigen bevindingen toe aan het Oostenrijkse gedachtengoed. Net zoals het werk van twee andere belangrijke studenten van Mises, Hans F. Sennholz en Israel Kirzner, de traditie voort droegen. En Henry Hazlitt, die toen voor Newsweek een wekelijkse column schreef, deed meer dan wie dan ook om de Oostenrijkse School te promoten, en leverde zelf bijdragen aan de school.

De stagflatie van de jaren ’70 ondermijnde de Keynesiaanse School door te tonen dat het mogelijk was om tegelijkertijd zowel hoge inflatie als hoge werkeloosheid te hebben. De Nobelprijs die Hayek in 1974 ontving voor zijn conjunctuurgolf onderzoek met Mises veroorzaakte een explosie van academische interesse in de Oostenrijkse School en vrije markt economie in het algemeen. Een generatie van studenten begon het werk van Mises en Hayek te bestuderen, en dat onderzoeksprogramma blijft doorgroeien. Vandaag de dag wordt de Oostenrijkse School het meest vol belichaamd in het werk van het Mises Institute.

De kern van de Oostenrijkse theorie

De concepten van schaarsheid en keuze liggen bij de Oostenrijkse economie aan het hart. De mens wordt constant geconfronteerd met een breed scala aan keuzes. Elke actie impliceert dat men alternatieven, of kosten, heeft laten varen. En elke actie is de per definitie met het oogmerk het levenslot van degene die handelt te verbeteren vanuit zijn gezichtspunt. Bovendien heeft iedereen die handelt een verschillende reeks aan waarden en voorkeuren, verschillende verlangens en dingen die men nodig heeft, en verschillende periodes van tijd om de voorgenomen doelen te bereiken.

De noden, smaken, verlangens en tijdschema’s van verschillende mensen kunnen niet aan andere mensen worden toegevoegd of onttrokken. Het is niet mogelijk om de smaken en tijdschema’s op één hoop te vegen, tot één curve, en het consumentenvoorkeur noemen. Waarom? Omdat economische waarde subjectief is en zich beperkt tot het individu.

Het is eveneens onmogelijk om de complexiteit van marktafspraken tot enorme verzamelingen op één hoop te vegen. We kunnen, bijvoorbeeld, niet zeggen dat het economische aandelenkapitaal één grote klont is samengevat met de letter K en daar een vergelijking van maken en verwachten dat er bruikbare informatie uit te munten is. Het aandelenkapitaal is heterogeen. Kapitaal kan bedoeld zijn om goederen te creëren om morgen te verkopen en ander kapitaal kan bedoeld zijn om goederen te creëren om over tien jaar te verkopen. De tijdschema’s voor gebruik van kapitaal zijn zo gevarieerd als het kapitaal zelf. De Oostenrijkse theorie ziet concurrentie als een proces van nieuwe en betere manieren ontdekken om bronnen te organiseren, een proces dat beladen is met fouten maar dat voortdurend verbeterd wordt.

Op deze manier naar de markt kijken is opvallend verschillend dan elke andere school. Sinds Keynes hebben economen de gewoonte ontwikkeld om parallelle universums te construeren die niets van doen hebben met de werkelijke wereld. In deze universums is kapitaal homogeen en is concurrentie een statische eindtoestand. Daar is het juiste aantal verkopers, prijzen weerspiegelen de kosten van de productie, en er zijn geen buitensporige winsten. Economische welvaart wordt bepaald door de producten en diensten van alle individuen in de samenleving bij elkaar op te tellen. Met het verstrijken van tijd wordt zelden rekening gehouden, behalve om de ene statische toestand in de ander te veranderen. Verscheidende tijdsschema’s van producenten en consumenten zijn eenvoudigweg non-existent. In plaats daarvan hebben we verzamelingen die ons niet in het minst kostbare informatie verschaffen.

Een conventionele econoom zou direct beamen dat deze modellen onrealistisch zijn, ideale toonbeelden gebruikt als zuivere instrumenten van analyse. Maar dit is onoprecht, aangezien dezelfde economen deze modellen gebruiken voor beleidsadvies.

Een in het oog springend voorbeeld van beleid baseren op beraamde modellen van de economie vindt plaats op the Justice Department’s antitrust division. Daar pretenderen de bureaucraten te weten wat de eigenlijke structuur van de industrie is, welke soort fusies en overnames de economie schaden, wie een te groot marktaandeel heeft en wie er een te klein marktaandeel heeft, en wat de relevante markt is. Dit vertegenwoordigt wat Hayek de voorwending van kennis noemde.

De juiste verhouding tussen concurrenten kan alleen worden verwezenlijkt door koop en verkoop, niet door bureaucratische beslissingen. Oostenrijkse economen, Rothbard in het bijzonder, betoogt dat de enige echte monopolies door de overheid worden geschapen. Markten zijn te concurrerend om toe te laten dat een monopolie zich staande kan houden.

Een ander voorbeeld is het idee dat economische groei gefabriceerd kan worden door het geheel aan vraag curves te manipuleren door meer en snellere overheidsuitgaven gezien als een aanjager van de vraag in plaats van een vermindering van het aanbod of de overheid als treiteraar van het consumerende volk.

Als het kenmerk van de conventionele economische scholen onrealistische modellen is, dan is het kenmerk van de Oostenrijkse economie een wezenlijke waardering van het prijssysteem. Prijzen voorzien mensen die handelen in de economie van cruciale informatie over de relatieve schaarsheid van goederen en diensten. Het is bijvoorbeeld voor consumenten niet nodig te weten dat een ziekte de populatie kippen heeft uitgedund om te weten dat zij spaarzaam dienen te zijn met eieren. Het prijssysteem, door eieren duurder te maken, informeert het publiek over het passende gedrag.

Het prijssysteem vertelt producenten wanneer in de markt te komen en wanneer deze te verlaten door zich te verlaten op de informatie over de voorkeuren van de consumenten. En het vertelt wat de meest efficiënte, dat is de minst kostende, manier om andere samen te voegen om goederen te creëren. Los van het prijssysteem is er geen manier om deze dingen te weten.

Maar prijzen moeten gegenereerd worden door de vrije markt. Zij kunnen niet worden verzonnen op de manier waarop de Drukkerij van de Overheid de prijzen verzint voor zijn publicaties. Ze kunnen niet gebaseerd worden op de kosten van de productie op de wijze van de posterijen. Deze praktijken scheppen verstoringen en ondoelmatigheden. Prijzen moeten echter voortkomen uit de vrije handelingen van individuen binnen een juridisch kader dat privaat eigendom eerbiedigt.

Neoklassieke prijstheorie, zoals men kan vinden in de meeste teksten van promovendi, omvat veel van dit gebied. Maar kenmerkend voor haar laat zij zich er weinig aan gelegen liggen dat de accurate prijzen hun fundering hebben in privaat eigendom. Als gevolg hiervan spreekt vrijwel elk plan om de postsocialistische economieën te hervormen van de noodzaak beter te besturen, leningen van het Westen, nieuwe en verschillende vormen van regulering, en het verwijderen van prijsbeheersing, maar niet privaat eigendom. Het gevolg was het economische equivalent van een treinwrak.

Vrije omloop van prijzen kan eenvoudigweg zijn werk niet doen los van privaat eigendom en het hiermee samengaande vrijheid van contract. In de Oostenrijkse theorie wordt privaat eigendom als het eerste beginsel gezien van een gezonde economie. Economen veronachtzamen over het algemeen het onderwerp, en als zij het benoemen dan is het om een filosofische basis te vinden om hem te schenden.

De logica en legitimiteit van de analyse van “marktfalen”, en haar gevolgtrekking in publieke goederen, is alom geaccepteerd door niet-Oostenrijkse scholen. Het denkbeeld dat in publieke goederen niet kan worden voorzien door de markt en dat in plaats daarvan moeten worden verschaft door de overheid, vanwege haar macht belastingen op te leggen. Het klassieke voorbeeld is de vuurtoren, niettegenstaande dat, zoals Ronald Coase heeft aangetoond, private vuurtorens eeuwenlang hebben bestaan. Sommige definities van publieke goederen kunnen zo breed zijn dat, als je het verstand weg laat, alledaagse consumptiegoederen er onder zouden vallen.

Oostenrijkers wijzen erop dat het onmogelijk is om te weten of de markt faalt of niet zonder een onafhankelijke test, waarvan er geen een bestaat buiten de handelingen van individuen. De markt zelf is het enige bruikbare criterium om te bepalen hoe bronnen zouden moeten worden gebruikt.

Stel dat ik het nodig acht, om verschillende sociale redenen, dat er een kapper voor elke 100 mensen dient te zijn en terwijl ik rond kijk bemerk ik dat dit niet het geval is. Dan zou ik bepleiten dat er een nationaal fonds voor kappers zou worden opgericht om de hoeveelheid kappers te laten toenemen. Maar het enige middel om te weten hoeveel kappers er zouden moeten zijn is de markt zelf. Als er minder zijn dan één op honderd dan mogen we aannemen dat een grotere hoeveelheid verondersteld wordt niet te mogen bestaan door een redelijke standaard van efficiënte markten. Het is economisch niet betamelijk om een wenslijst te ontwikkelen van banen en instellingen die los staan van de markt zelf.

Externaliteiten

De conventionele economische wetenschap leert dat de baten of kosten van de economische beslissingen van de een ten koste gaan van anderen, dat er een externaliteit bestaat, en dat het gecorrigeerd zou moeten worden door de overheid door herverdeling. Maar, breed gedefinieerd, zijn externaliteiten inherent in elke economische transactie omdat kosten en baten uiteindelijk subjectief zijn. Ik moge er verrukt over zijn om te zien dat fabrieken rook uitbraken omdat ik van industrie hou. Maar dat betekent niet dat mij belasting zou moeten opgelegd worden voor het privilege er naar te kijken. Alzo moge ik erdoor gekrenkt zijn dat de meeste mannen geen baarden hebben, maar dat betekent niet dat de glad geschorenen belasting zouden moeten betalen om mijn misnoegen te compenseren.

murray-rothbardDe Oostenrijkse School herdefinieert externaliteiten als alleen voorkomend door fysieke invasies van eigendom, zoals mijn buurman die zijn afval in mijn tuin dumpt. Dan wordt de uitstorting een misdaad. Er kunnen geen waardevrije bijtellingen zijn of nut om de subjectieve kosten en baten van economische activiteit te bepalen. In plaats hiervan dient het relevante economische criterium te zijn of economische handelingen op vreedzame wijze gebeuren.

Een ander gebied waarop Oostenrijkers verschillen is hoe de overheid om zou moeten gaan met het praktische probleem van het corrigeren van marktfalen. Aangenomen dat de overheid op een of andere wijze een falen van de markt kan aanwijzen, dan ligt de bewijslast nog steeds bij de overheid om te tonen dat zij de taak efficiënter kan uitvoeren dan de markt. Oostenrijkers zouden de energie die gestoken wordt in het vinden van marktfalen gebruiken om meer te begrijpen van overheidsfalen.

Maar het falen van de overheid die doet wat de gangbare theorie voorschrijft dat zij kan doen is geen populair onderwerp. Buiten de Public Choice schools wordt het gewoonlijk aangenomen dat de overheid capabel is om alles te doen dat zij wil doen, en dat men het goed doet. Vergeten wordt de natuur van de staat als een instituut met haar eigen verderfelijke plannen met de samenleving. Een van de bijdragen van Rothbard was Oostenrijkers de aandacht hier op te vestigen en op de waarschijnlijke patronen die inmengingen met zich mee zullen brengen. Hij ontwikkelde een typologie van interventionisme, en leverde gedetailleerde kritieken op veel soorten van interventies en hun gevolgen.

De waarzeggers

De vraag is vaak gesteld, in James Buchanan zijn beroemde zin, Wat zouden economen moeten doen? Mainstream economen antwoorden, gedeeltelijk: de toekomst voorspellen. Dit doel is legitiem in de natuurwetenschappen, want rotsen en geluidsgolven maken geen keuzes. Maar economie is een sociale wetenschap dat te maken heeft met mensen die keuzes maken, reageren op prikkels, van gedachten veranderen, en zelfs irrationeel handelen.

Oostenrijkse economen beseffen dat de toekomst altijd onzeker is, niet geheel, maar grotendeels. Menselijke handeling in een onzekere wereld met doordringende schaarsheid stelt in de eerste plaats het economische probleem aan de orde. We hebben ondernemers en prijzen nodig om de onzekerheid te boven te komen, hoewel dit nooit geheel kan worden gedaan.

De toekomst inramen is het werk van ondernemers, niet van economen. Dit wil niet zeggen dat Oostenrijkse economen geen zekere gevolgen van bepaald overheidsbeleid zouden kunnen verwachten. Zij weten bijvoorbeeld dat prijsplafonds altijd en overal tekorten creëren, en dat expansie van de geldhoeveelheid tot algemene stijgingen van prijzen leiden en conjunctuurgolven, zelfs als zij de tijd en de exacte hoedanigheid van deze verwachte gebeurtenissen niet kennen.

Cijfers van de overheid

Een laatste gebied aangaande de theorie waarin Oostenrijkers zich onderscheiden van de mainstream economen is economische statistiek. Oostenrijkers zijn kritisch met betrekking tot de inhoud van de meeste bestaande statistische economische maatstaven. Zij zijn ook kritisch op de wijze waarop zij worden gebruikt. Neem bijvoorbeeld de kwestie van de elasticiteiten van prijzen, welke de reacties van consumenten op de verandering in prijs zouden moeten meten. Het probleem ligt in de metafoor en in haar toepassingen. De suggestie wordt gewekt dat elasticiteiten onafhankelijk van menselijke handelingen bestaan en dat zij bij voorbaat door ervaring gekend kunnen worden. Maar metingen van historisch consumentengedrag vormen geen economische theorie.
Een ander voorbeeld van een bedenkelijke statistische techniek is het index cijfer, het voornaamste middel van de overheid om inflatie te berekenen. Het probleem met index cijfers is dat zij de veranderingen in relatieve prijs tussen goederen en bedrijven verdoezelen, en relatieve prijs veranderingen zijn van het grootste belang. Dit wil niet zeggen dat de Consumentenprijsindex irrelevant is, alleen dat het geen goede indicator is, aanleiding tot wijdverspreid misbruik, en het maskeert grotendeels complexe prijsbewegingen tussen sectoren.

En de Bruto Binnenlands Product statistiek is doorzeefd met bedrieglijkheden in de samenstelling die inherent zijn aan het Keynesiaanse model. Overheidsuitgaven worden beschouwd als een deel van de totale vraag; er wordt geen poging gedaan er rekening mee te houden met de vernietigende kosten van belasting, regulering en herverdeling. Als Oostenrijkers hun zin zouden krijgen dan zou de overheid nooit meer economische statistieken verzamelen. Dergelijke data wordt voornamelijk gebruikt om de economie te plannen.

Overheidsbeleid

Voor Oostenrijkers is economische regulering altijd vernietigend voor de welvaart omdat het bronnen verkeerd aanwendt en het extreem vernietigend is voor het midden-en kleinbedrijf en ondernemerschap.

Milieu regulering is een van de ergste kwaden geweest in de afgelopen jaren. Niemand kan de buitengewone verliezen berekenen in verband met de Clean Air Act of de absurditeiten in verband met beleid ten aanzien van natte gebieden en bedreigde soorten.

Hoe het ook zij, milieu beleid kan doen waar het uitdrukkelijk voor bedoeld is: de levensstandaard verlagen. Maar antitrust beleid, in tegenstelling tot het beoogde beleid, kan geen concurrentie genereren. Zulke spookbeelden als roofzuchtige prijzen jagen de bureaucraten op Justitie nog steeds angst aan, terwijl eenvoudige economische analyse het idee kan weerleggen dat een concurrent onder zijn productiekosten kan verkopen om de markt over te nemen en dan tegen monopolieprijzen te verkopen. Elk bedrijf dat poogt onder de productiekosten te verkopen zal uiteindelijk verliezen lijden. Op het moment dat hij de prijzen probeert te verhogen nodigt hij concurrenten weer uit om terug in de markt te keren.

Burgerrechten regulering vertegenwoordigt een van de meest indringende regulatieve interventies in de arbeidsmarkt. Dit proces is gebaseerd op het hebben van een grote schare aan alternatieven die ter beschikking staan om kapitaal te gebruiken. Doch overheidsregulering beperkt de opties van ondernemers en werpt barrières op in de uitvoering van het ondernemende talent. Veiligheid, gezondheid, en arbeidsregulering, bijvoorbeeld, remmen niet alleen de bestaande productie, zij verhinderen de ontwikkeling van betere productiemethoden.

Oostenrijkers hebben ook indrukwekkende kritieken ontwikkeld ten aanzien van herverdeling. De gangbare welzijnstheorie beweert dat als de wet van afnemend marginaal nut waar is, dat het totale nut dan makkelijk kan toenemen. Als men een dollar van een rijke man af pakt dan is zijn welvaart nauwelijks verminderd, maar die dollar is hem minder waard dan een dollar waard is voor een arme man. Dus verhoogt de herverdeling van een dollar van een rijke man naar een arme man het totale nut van de twee. De veronderstelling is dat welvaart gemaximaliseerd kan worden door volmaakte inkomensgelijkheid. Het probleem is, zeggen Oostenrijkers, dat het nut niet kan worden toegevoegd of onttrokken aangezien het subjectief is.

Herverdeling neemt van eigenaren en producenten en geeft, per definitie, aan niet-eigenaren en niet-producenten. Dit vermindert de waarde van het eigendom dat herverdeeld is. In plaats van de totale welvaart te verhogen – verre van dat – verlaagt herverdeling de welvaart. Door eigendom en zijn waarde minder zeker te maken, vermindert de overdracht van inkomen de voordelen van eigenaarschap en productie, en zo verlaagt zij de prikkels van beide.

Oostenrijkers verwerpen het gebruik van herverdeling om de economie te stimuleren of om de structuur van economische activiteit op een andere wijze te manipuleren. Toenemende belastingen, bijvoorbeeld, kunnen enkel kwaad doen. ‘Belastingen’ is steno voor de vernietiging van welvaart. Zij confisqueren met geweld eigendom dat anders gespaard of geïnvesteerd had kunnen worden, daarmee het aantal van de beschikbare opties van de consument verlagend. Bovendien, er bestaat niet zoiets als een juiste consumentenbelasting. Alle belastingen verlagen de productie.

Oostenrijkers gaan niet mee met de zienswijze dat tekorten er niet toe doen. Het vereiste dat tekorten worden gefinancierd door het volk of obligatiehouders drijft feitelijk de rentestanden omhoog en roeit zo potentiele private investeringen uit. Tekorten scheppen ook het gevaar dat zij gefinancierd zullen worden door inflatie via de centrale bank. Het antwoord op tekorten is niet het laten stijgen van belastingen, wat destructiever is dan tekorten, maar het in balans brengen van het budget door de nodige snijdingen in de uitgaven te doen. Waar te snijden? Overal en altijd.

De ideale situatie is niet eenvoudigweg een budget dat in balans is. De overheidsuitgaven zelf, ongeacht of er een tekort of een overschot is, dienen zo klein mogelijk te zijn. Waarom? Omdat zulke uitgaven bronnen onttrekt die beter toegepast worden in de vrije markt.

We horen mensen het hebben over een of andere “investering door de overheid”. Oostenrijkers verwerpen deze term als een die met zichzelf in tegenspraak is[4]. Echte investeringen worden gedaan door kapitalisten die hun eigen geld in de waagschaal leggen in de hoop dat er in de toekomst een bevredigende vraag zal zijn bij consumenten. De overheid beperkt de bevrediging van de consumentenvraag door de productie in de private sector te belemmeren. Daarnaast zijn investeringen door de overheid beruchte verspillingen van geld; ze zijn in feite consumptieve uitgaven door politici en bureaucraten.

Geld en bankieren

Mainstream economen zijn van oordeel dat de overheid zeggenschap moet hebben over monetair beleid en de structuur van het bankwezen door kartels, depositoverzekering[5], en een flexibele fiat munteenheid. Oostenrijkers verwerpen geheel het paradigma, en betogen dat alles beter beheerst wordt door private markten. In zoverre er vandaag de dag er serieuze en radicale voorstellen zijn om de markt een grotere rol te laten spelen in bankieren en monetair beleid, is het feitelijk te danken aan de Oostenrijkse School.

Depositoverzekering is in het collectieve bewustzijn sinds het uiteenvallen van de S&L industrie[6]. De overheid garandeert deposito’s en vermogen met geld van de belastingbetalers, en dat maakt de financiële instellingen minder zorgvuldig. De overheid heeft een uitwerking op financiële instellingen als een toegeeflijke ouder heeft op een kind: slecht gedrag aanmoedigen door de dreiging van straf te elimineren.

Oostenrijkers zouden depositoverzekering elimineren, en niet alleen bank runs laten plaatsvinden, maar hun potentieel waarderen als een nodige toets. Er zal geen laatste toevlucht naar een geldschieter, de belastingbetaler, zijn in een Oostenrijkse monetair regime, om borg te staan voor niet-liquide en bankroete instellingen.

friedrich-hayekVeel van de Oostenrijkse kritiek op centraal bankieren concentreert zich rondom de Mises-Hayek conjunctuurgolf theorie. Beiden betoogden dat de centrale bank, en niet de markt zelf, verantwoordelijk is voor het cyclische (gedrag) van zakelijke activiteit. Om de theorie aan te tonen hebben Oostenrijkers uitvoerige studies ondernomen van historische periodes van recessie en herstel om te tonen dat aan alles machinaties van de centrale bank vooraf ging.

De theorie betoogt dat de pogingen van de centrale bank om de rente standen te verlagen onder hun natuurlijke niveau veroorzaakt dat leners in de kapitaal goederen industrie te veel investeringen doen in hun projecten. Een lage rentestand is normaal gesproken een signaal dat er spaargeld van consumenten beschikbaar is om nieuwe productie te ondersteunen. Als bijvoorbeeld een producent geld leent om een nieuw gebouw te bouwen dan is er genoeg spaargeld zodat consumenten goederen en diensten kunnen kopen die het gebouw te bieden heeft. Projecten die ondernomen worden kunnen worden volgehouden. Maar kunstmatig verlaagde rentestanden leidt ertoe dat in het zakenleven onnodige projecten worden ondernomen. Dit schept een kunstmatige boom gevolgd door een bust zodra het duidelijk is dat het spaargeld niet groot genoeg was om de mate van expansie te rechtvaardigen.

Oostenrijkers wijzen erop dat de groeiregel van de monetaristen de “injectie effecten” negeren van ook maar de kleinste toename van geld en krediet. Zulk een toename zal altijd dit conjunctuurgolf fenomeen scheppen, zelfs als het lukt om een relatief stabiel index cijfer te behouden, zoals in de jaren ’20 en ’80.

Wat zouden beleidsmakers dan moeten doen wanneer de economie in een recessie komt? Grotendeels niets. Het kost tijd om de slechte investeringen geschapen door de krediet boom  te laten verdwijnen. Projecten die ondernomen waren dienen bankroet te gaan, werknemers die ten onrechte zijn aangenomen moeten hun baan verliezen, en lonen moeten dalen. Wanneer de economie gezuiverd is van slechte investeringen veroorzaakt door de centrale bank dan kan de groei opnieuw beginnen, gebaseerd op een realistische schatting van toekomstig consumentengedrag.

Als de overheid het proces van herstel sneller wil maken als er, laten we zeggen, er verkiezingen aankomen dan zijn er een aantal dingen die zij kan doen. Zij kan belastingen verlagen, meer vermogen in private handen leggen om het herstelproces te bespoedigen. Zij kan reguleringen elimineren die de private sector weerhouden te groeien. Zij kan uitgaven verlagen en de vraag op kredietmarkten reduceren. Zij kan antidumping wetten afschaffen en tarieven en quota verlagen om de consumenten in de gelegenheid te stellen om geïmporteerde goederen tegen lagere prijzen te kopen.

Centraal bankieren schept ook prikkels richting inflatoir monetair beleid. Het is niet toevallig dat sinds de oprichting van het Federal Reserve systeem de waarde van de dollar 98%[7] gedaald is. De markt zou dit niet laten gebeuren. De schuldige is de centrale bank, wiens institutionele logica richting inflatoir beleid drijft zoals de valsemunter gedreven is zijn drukpers aan de praat te houden.

Oostenrijkers zouden dit op een fundamentele manier hervormen. Misesianen bepleiten een terugkeer naar een 100% gouden standaard, een einde aan fractioneel reserve commercieel bankieren, en de afschaffing van de centrale bank, terwijl Hayekianen een systeem voorstaan waarin consumenten valuta selecteren van een verscheidenheid van alternatieven.

De toekomst van de Oostenrijkse School

Oostenrijkse economie maakt vandaag de dag een opleving door. Mises zijn werken worden gelezen en bediscussieerd zowel overal in West-en Oost Europa en de voormalige Sovjet-Unie als in Latijns-Amerika en Noord-Azië. Maar de vernieuwde interesse in Amerika, waar de inzichten van de Oostenrijkse School zelfs nog erger nodig zijn, is vooral bemoedigend.

Het succes van het Ludwig von Mises Institute getuigt van deze nieuwe belangstelling. Het voornaamste doel van het instituut is de Oostenrijkse School als voorname kracht in het economische debat te waarborgen. Met dit doel hebben we honderden professionele economen gekweekt en georganiseerd, voorzien in wetenschappelijke en populaire lozingen van hun werk, hebben we duizenden studenten opgeleid in de Oostenrijkse theorie, miljoenen publicaties verspreid, en intellectuele gemeenschappen gevormd, met name op de Auburn University en de University of Nevada, Las Vegas, waar deze ideeën gedijen.

mises-universityElk jaar houden wij een summer instructional seminar over de Oostenrijkse School, genaamd the Mises University, met een faculteit van meer dan 25, en topstudenten uit het hele land. We houden ook academische conferenties over theoretische en historische onderwerpen, en de geleerden van het Institute zijn frequente deelnemers aan belangrijke beroepsmatige bijeenkomsten.

Transaction Publishers is mede-sponsor van het Quarterly Journal of Austrian Economics, het enige driemaandelijkse tijdschrift in de Engelstalige wereld exclusief gewijd aan de Oostenrijkse School. Transaction publiceert ook sommige van onze boeken. The Austrian Economics Newsletter wordt geschreven en uitgegeven door en voor studenten van de Oostenrijkse School. De vrije markt gebruikt Oostenrijkse ideeën met betrekking tot kwesties van overheidsbeleid.

Het Mises Institute staat studenten en faculteiten bij op honderden scholen en universiteiten. We hebben een programma voor bezoekende vakgenoten om dissertaties te voltooien en voor bezoekende geleerden om nieuw onderzoek voort te zetten, als ook ons centrum voor studenten. In Auburn verkent de Austrian Economics Workshop van het Instituut verkent nieuwe gebieden van geschiedenis, theorie, en beleid, en het wekelijkse colloquium brengt studenten en de faculteit tesamen om het Oostenrijkse gedachtengoed in een interdisciplinaire context aan te wenden.

Nieuwe boeken over de Oostenrijkse School verschijnen elke paar maanden, en Oostenrijkers schrijven voor alle belangrijke wetenschappelijke tijdschriften. Misesiaanse inzichten zijn vertegenwoordigd in honderden economische collegezalen in het gehele land (terwijl nog maar 20 jaar geleden niet meer dan een dozijn collegezalen ze vertegenwoordigden). Oostenrijkers zijn de rijzende sterren in het vak, de economen met de nieuwe ideeën die studenten aantrekken, degenen op het scherpst van de snede met een pro-markt en anti-etatistische oriëntering.

De meeste van deze geleerden zijn gekweekt door de academische conferenties, publicaties en onderwijsprogramma’s van het Mises Institute. Met het Institute worden het steunen van de Oostenrijkse School, traditie en constructief radicalisme gecombineerd om een aantrekkelijke en intellectueel vibrerend alternatief te creëren voor het conventionele gedachtengoed.

De toekomst van de Oostenrijkse economie is schitterend, wat iets goed belooft voor de toekomst van de vrijheid. Want als wij de etatistische tendensen in deze eeuw kunnen keren, en weer een vrije markt tot stand kunnen brengen, dan zal de Oostenrijkse School het intellectuele fundament moeten zijn. Dat is waarom Oostenrijkse economie er toe doet.

lewrockwell150Llewellyn H. Rockwell jr. is de oprichter en de voormalige president van the Ludwig von Mises Institute. Dit essay is gebaseerd op een lezing die hij gaf voor the Heritage Foundation.

Vertaald, uit het Engels, door Oscar Petri

[1] business-cycle
[2] bedoeld wordt de overgang van de 19e naar de 20ste eeuw
[3] opportunity costs
[4] het woord oxymoron heeft in het Nederlands connotaties met een stijlfiguur waarin er sprake is van een paradox,  geen tegenstrijdigheid
[5] de overheid staat garant
[6] savings and loan
[7] inmiddels, in 2012, 99%