WIA in Nederland loopt dood

De WIA-crisis in Nederland loopt dood. Het is wat er gebeurt wanneer je probeert iets te verzekeren wat in essentie niet verzekerbaar is. Dat is de echte kern die telkens wordt genegeerd.

Verzekeren werkt alleen bij duidelijke, afgebakende risico’s met lage kans en hoge impact. Brand, overlijden, een zwaar ongeval. Arbeidsongeschiktheid zoals de WIA die definieert, voldoet daar niet aan. Het is vaak langdurig, moeilijk objectief vast te stellen en sterk verweven met gedrag, context en prikkels. Zodra je dat collectiviseert, verdwijnt de grens tussen pech en keuze. Dan krijg je precies wat we nu zien: exploderende instroom, discussie over definities en eindeloze keuringen.

De staat probeert dat op te lossen met centrale beoordeling. Meer artsen, meer regels, meer controles. Maar je kunt subjectieve situaties niet massaal en uniform beoordelen zonder enorme frictie. Daarom ontstaan wachttijden van jaren. Daarom weten werkgevers niet of ze iemand mogen vervangen. Daarom wachten mensen op “zekerheid” die nooit komt. Het systeem loopt niet vast door slechte uitvoering, maar omdat het een categorie fout maakt: het behandelt structurele inkomensonzekerheid als een verzekerbaar risico.

Daar komt de financiële illusie bovenop. De WIA wordt verkocht als verzekering, maar is in werkelijkheid herverdeling. Premies zijn politiek bepaald en losgekoppeld van individueel risico. De zogenaamde spaarpot wordt gebruikt om begrotingsgaten te dichten. Dat is geen verzekering, dat is een fiscale buffer met een label. Zodra de instroom stijgt en de demografie verslechtert, stort het evenwicht in.

De oplossing begint met erkennen dat je dit niet centraal kunt verzekeren. Inkomen bij ziekte of uitval hoort primair thuis in persoonlijke buffers. Spaartegoeden, individuele rekeningen, vermogen dat je zelf opbouwt en beheert. Dat is transparant, direct en zonder bureaucratische wachttijden. Het maakt mensen weer eigenaar van hun risico’s in plaats van afhankelijk van een keuringstraject.

Daar bovenop kun je een beperkte verzekeringslaag bouwen voor echt extreme, objectief vast te stellen gevallen. Zware, blijvende invaliditeit, ernstige ongevallen, situaties met lage kans maar hoge impact. Dáár werkt verzekering wel, omdat het risico afgebakend en meetbaar is. Niet voor alles daartussenin waar interpretatie en gedrag domineren.

Wat nu gebeurt is het omgekeerde. De staat probeert alles te dekken en eindigt met niets dat goed werkt. Wachtrijen, onzekerheid, strategisch gedrag en een systeem dat financieel lekt. Politiek antwoordt met meer geld en meer overleg, maar dat verandert de aard van het probleem niet.

De welvaartsstaat faalt hier niet omdat hij te klein is, maar omdat hij te veel pretendeert. Je kunt geen universele inkomensgarantie bouwen op basis van collectieve premies zonder dat prikkels ontsporen en definities vervagen. Dat is geen ideologie, dat is systeemlogica.

De WIA laat zien waar de grens ligt. Sommige risico’s kun je verzekeren. De rest moet je dragen, voor sparen of contractueel organiseren. Zolang dat onderscheid niet gemaakt wordt, blijft elk “hervormingsplan” symptoombestrijding. En groeit de wachtrij gewoon door.

Leave a comment